Mijn PTSS

Op internet zijn genoeg “Sugar-coated” versies te vinden over wat een PTSS zou moeten zijn. Nou, ik ben er eigenlijk nog niet één tegen gekomen die de juiste lading dekt. In deze rubriek zal ik proberen uit te leggen welke incidenten –in het kort- voor het grootste deel hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van mijn PTSS.
Maar, en dat wellicht het belangrijkste is: ik zal proberen hier te omschrijven hoe de klachten zich bij mij ontwikkelden, wat die uiteindelijk met mij deden en wat ik doe om mijn leven weer op de rails te krijgen.

Zoals ik ook al schreef in de rubriek “Over mij” werd ik in de herfst van 1996 naar een provinciale weg gestuurd, alwaar een aanrijding plaats had gevonden. Het bleek een eenzijdige aanrijding te zijn, waarbij een auto tegen een dikke boom gebotst was, in het talud van een weg. Bij de aanrijding waren twee zeer jonge kinderen betrokken. Één van de kinderen overleed ter plaatse aan de verwondingen en het andere kind raakte zeer ernstig gewond. Bij dat laatste kind heb ik een hele tijd de brandweer en ambulancedienst geassisteerd bij het bevrijden uit het wrak. Die tijd stond ik met een infuuszakje in mijn handen en keek daarbij tegen de hersenen van dat kind aan. Bij de aanrijding was er een open breuk aan de schedel ontstaan waarbij een stuk schedel weg of verschoven was. Nadat het kind bevrijd was, werd het onder onze begeleiding, door de ambulance, naar het ziekenhuis vervoerd. Kort na dit incident was de dienst afgelopen, leverde ik mijn spullen in en verliet het korps waar ik aan aantal jaren met plezier gewerkt had.

PschologieToen ik op mijn nieuwe werkplek aan de slag ging, merkte ik dat ik last kreeg van slapeloosheid, concentratieproblemen, plotselinge transpiratieaanvallen en vooral het telkens weer dat plaatje zien van die gat in de schedel. Ondanks dat laatste dacht ik eigenlijk meer dat de klachten die ik had ‘gewoon’ stressklachten waren die te maken hadden met mijn nieuwe werk en dat het terugzien van dat beeld bij de verwerking hoorde. Inmiddels denk ik beter te weten maar ik weet niet meer of de klachten destijds geleidelijk afnamen of dat ik mij, ondanks deze klachten, toch staande wist te houden.
Aan het einde van het vorige millennium werd mijn woonadres –door een fout van collega’s en daarop volgende blunders van leidinggevenden- bekend bij een criminele organisatie, waarnaar het unit waar ik destijds voor werkte, onderzoek naar deed. Deze criminele organisatie bediende zich indertijd van zwaar geweld, onder andere ook tegen openbare bestuurders. De chef van de dienst waarvoor ik destijds werkte vond het, waarschijnlijk doordat er kosten voor de dienst aan verbonden zaten, niet noodzakelijk dat ik ging verhuizen. Het intimiderende gedrag, dat onder andere bestond uit stapvoets langs mijn woning rijden of stoppen als ik in de voortuin of op de oprit aan het werk was, werd steeds erger. Als mijn partner en ik een blokje om liepen in de wijk, kwam het regelmatig voor dat leden van die organisatie met hoge snelheid op mij af kwamen rijden, echter altijd op zodanige manier dat je niet kon spreken van een strafbaar feit, behalve verkeersgevaarlijk gedrag. Omdat ik wist waartoe die mensen in staat waren, voelde ik mij niet meer veilig in het huisje dat ik net een paar jaar eerder gekocht had. Waar ik samen met mijn partner veel tijd, geld en liefde in gestoken had, om het tot ons plekje te maken.
De klachten van concentratieproblemen, vergeetachtigheid, niet kunnen doorslapen en risicovol gedrag (vooral in het verkeer) kwamen terug. Door de ervaring die ik inmiddels had opgedaan in mijn werk wist ik mij echter nog lange tijd staande te houden. Inmiddels was het ook zo ver dat ik dacht dat dergelijke verschijnselen en klachten erbij hoorden en praatte ik met niemand over.
Ik was mijn thuis al kwijt en wilde niet ook nog mijn baan verliezen. Uiteindelijk leidden de concentratieproblemen, mijn vergeetachtigheid, het risicovol verkeersgedrag en andere klachten toch tot een arbeidsconflict met mijn toenmalige leidinggevende. Hierop nam ik impulsief de beslissing om terug te keren in “het blauw” in het team waar ik zeven jaar eerder weggegaan was. Toen ik destijds bij de huisarts vertelde welke klachten ik had, adviseerde hij me om het een tijdje rustig aan te doen en ik werd door de chef van mijn nieuwe werkplek, voor een aantal weken toegevoegd aan een onderzoek, waar ik ook weer een beetje kon wennen aan het ‘normale’ politiewerk.

Nadat ik het uniform weer aangetrokken had, merkte ik dat ik veel moeite had om te wennen aan de veranderde maatschappij. De zeven jaar dat ik van de straat was geweest, leken heel kort, maar de wereld zag er anders uit. De maatschappij was behoorlijk verhard- en de tegenstellingen groter geworden na 9/11. Ik merkte dat ik kort door de bocht was en dat ik een erg kort lontje had, waardoor verschillende klachten tegen mij gedaan werden en ik regelmatig voor de klachtencommissie van ons korps, moest verschijnen.
Ik kwam weer in aanraking met het ongecensureerde politiewerk, dood en verderf waren weer dagelijkse kost aan het worden en bij tijd en wijlen kwam die kapotte kinderschedel weer in mijn hoofd voorbij. De spanning die ik destijds voelde kwam daarbij ook weer opzetten en ik moest moeite doen om mijn gedachten in het hier en nu toe houden. Er leek veel veranderd op de werkvloer want bij mijn terugkeer in het blauw bleek er een Bedrijfs Opvang Team te zijn, dat bij ernstige incidenten ingeschakeld kon worden om je hart te luchten. Dit bestond echter uit mensen van de werkvloer, waar je de volgende dag weer mee op de auto zat of mee moest werken. Bij mij riep dat, zoals bij meerdere collega's, ook direct weerstand op omdat dit voor mij geen vertrouwde omgeving vormde, want het was niet gebruikelijk om over je gevoelens te praten met collega’s en al zeker niet bij het onderdeel waar ik eerder bij gewerkt had. Behalve dat er van professionele opvang en preventie geen sprake was, waren symptomen van een mogelijk PTSS niet eens bekend bij mij.

Behalve de 'dagelijkse zaken' waarmee je als politiemens in aanraking komt, zoals verkeersongevallen, zelfdoding en agressie, waren er een aantal incidenten waarmee ik ongewild steeds meer en langer mee geconfronteerd werd:

  • Een achtervolging die eindigde met dodelijke afloop, waarbij ik mij verwijten bleef maken waarom ik de auto niet eerder geramd had, zodat dit niet op een dergelijk vreselijke manier geëindigd was;
  • Een aanhouding met verzet van een buurtbewoner die mij daarna op indringende wijze bedreigde. Omdat ik al eens op brute wijze moest verhuizen door mijn werk, maakte dit heel veel indruk op mij en kon ik dit niet loslaten;
  • Een reanimatie waar ik machteloos was omdat ik het slachtoffer niet uit de positie kreeg waarin dit lag en waardoor ik mij medeschuldig voelde aan het overlijden;
  • Een bedreiging tegen het leven toen ik alleen, onder diensttijd alleen op pad was. Er was geen mogelijkheid om te vluchten of om hulp in te roepen van collega's;
  • Een dodelijke aanrijding waarbij het slachtoffer iemand was die ik kende, ten tijde van het schrijven twee jaar geleden.

Politie autoNa dat laatste incident leek er iets kapot te zijn gegaan in mij en ik begon me steeds meer af te sluiten voor de buitenwereld. Het voelde alsof ik emotioneel dood was, niets maakte mij nog verdrietig of gelukkig. Situaties die ik tot dat moment altijd de baas kon, werden een kwelling voor me. Onder verschillende omstandigheden en onverwachte momenten begon ik soms zo sterkt beginnen te bibberen dat ik niet meer in staat was om te schrijven of mijn handtekening te plaatsen zonder dat het een kriebel werd. Ook merkte ik dat ik die die tijd steeds meer pijn in mijn onderrug begon te ontwikkelen. Daardoor was ik steeds minder in staat om te hardlopen. Van de kleine 100 km die ik iedere week hardlopend aflegde, bleven er steeds minder over. Door mijn rugklachten voelde ik mij uiteindelijk genoodzaakt om helemaal te stoppen met hardlopen.
Via mijn huisarts werd ik hierna doorverwezen naar een academisch ziekenhuis, waar ik door vrijwel iedere specialisme onderzocht werd. Er werden röntgenfoto’s-, een MRI en zelfs een bot-scan gemaakt en uiteindelijk kwam ik bij de pijnpoli terecht. De professor die me daar consulteerde zei letterlijk dat ik in geringe mate last had van “facetartrose” maar dat hij mijn enorme pijnklachten (ik kon toen geen 100 meter meer lopen van de pijn) niet kon verklaren aan de hand van de artrose. Een eventuele pijnbestrijding bestond er ook niet voor deze vorm van artrose, behalve op experimentele basis. De arts adviseerde om die behandeling niet te doen en verwees mij door naar een revalidatiearts. Ook die revalidatie-arts bleek weinig of niets voor mij te kunnen betekenen en ‘parkeerde’ mij uiteindelijk bij een lokale fysiotherapeut, die mij weer redelijk op de been hielp. Ik kon in ieder geval weer redelijk lopen, maar hardlopen zat er niet meer in.
In die tijd ging de gezondheidstoestand van mijn vader ook snel achteruit. Het overlijden van mijn vader was voor mijn gevoel iets dat er gewoon bij hoorde in het leven. Destijds dacht ik dat het feit dat ik er geen traan om heb kunnen laten, te wijten was aan de zware pijnmedicatie die ik toen slikte voor mijn rugpijn. Inmiddels weet ik beter...

Door de fysiotherapie namen de rugklachten ook weer af en kon ik, volgens mijzelf en de bedrijfsarts, weer gewoon aan het werk gaan. De dagdagelijks dingen van het politiewerk dienden zich weer aan en ik merkte dat ik steeds meer veranderde.
Door mijn collega’s werd ik soms gekscherend Dr. Phil genoemd vanwege de tijd die ik kon besteden aan mensen met psychische of psychiatrische problemen.

Ik merkte bij mezelf dat ik steeds minder begrip en geduld had voor mensen en hun problemen. Emotioneel wist mij steeds minder te raken en kon ik ook van steeds minder dingen genieten. Zelfs vakanties met mijn partner, waar ik altijd naartoe leefde en een intens gevoel van geluk bij mij teweeg konden brengen, brachten geen echt gevoel van geluk meer.

Toen ik dit een oproeping kreeg om als opsporingsambtenaar te getuigen voor de rechtbank werd ik voor het eerst geconfronteerd met een toestand van mijzelf, waarin ik me nooit eerder bevonden had. Door de advocaat van de verdachte werd mij –min of meer- verweten dat ik de dienstauto als geweldsmiddel gebruikt had om een achtervolging te stoppen. Ik kon mijn aandacht nauwelijks bij de rechtszitting houden en was in mijn hoofd meer bezig met de achtervolging die dodelijk eindigde dan met de achtervolging waar de rechtszitting over diende. Het kostte mij veel moeite om weer in het hier en nu te komen. Ik was overtuigd van het feit dat ik goed gehandeld had door deze achtervolging te beëindigen door het dienstvoertuig in te zetten als geweldsmiddel. Het schuldgevoel van een eerdere achtervolging, die de achtervolgde met de dood had moeten bekopen, speelde waarschijnlijk ook mee op het moment dat ik bewust die aanrijding veroorzaakte. Deze keer zou het niet gebeuren dat de bestuurder, of erger nog onschuldige weggebruikers, dit met de dood zouden bekopen. Tijdens de rechtszitting leek ik steeds meer in een emotionele shock te komen, de beelden van de achtervolging die dodelijk eindigden gingen door mijn hoofd en ik begon weer hevig te transpireren en te rillen. Toen aan het einde van de zitting het hele proces-verbaal van terechtzitting werd voorgelezen heb ik daarvan nauwelijks nog iets mee gekregen en het koste mij de grootste moeite om mijn verklaring te ondertekenen omdat ik nog steeds beefde als een rietje.
Nu ik dit hele verhaal aan het scherm toe vertrouw, begrijp ik nog steeds niet dat ik destijds dacht dat dit gewone stressklachten waren die gewoon bij het politiewerk horen. 

Een paar weken later werd ik door mijn leidinggevende benaderd met de vraag of ik de 'weerbaarheidstraining' al gevolgd had. Tot dat moment had ik er alles aan gedaan om onder die training uit te komen, maar ik moest er toch aan geloven. Voordat ik moest gaan heb ik het hele bureau bij elkaar gefoeterd omdat ik het onzin vond om een politieman met meer dan 25 dienstjaren en “alles al meegemaakt had” nog eens naar een weerbaarheidstraining te sturen. De training werd een openbaring voor me: veel klachten die daar besproken werden en het gevolg waren van langdurig onder hevige spanningen te staan, bleek ik al te hebben. Toen ik de trainer vertelde, dat ik mij eigenlijk emotioneel dood voelde, adviseerde hij om professionele hulp te zoeken.
Op mijn werk begon ik steeds meer moeite te krijgen om de klachten die ik had, verborgen te houden. Ik begon steeds meer steken te laten vallen, doordat ik bijvoorbeeld vergat om essentiële zaken bij een dossier te voegen of afspraken die er liggen, niet na te komen.
Kort na de weerbaarheidstraining verscheen een PTSS-special van het maandblad van de vakbond ANPV. De verhalen die daar door lotgenoten verteld werden, leverden voor mij een openbaring op en ik zei nog met een lach tegen mijn partner: als ik die verhalen hier lees heb ik ook PTSS...

In die tijd had ik wel eens het gevoel dat zich de ziekte van Alzheimer bij mij aan het ontwikkelen was, want ik leek niets meer te onthouden en kon me nergens meer op concentreren. Collega’s konden mij het ene moment iets vertellen en voordat ze de kamer uitliepen was ik alweer vergeten wat ze mij verteld hadden. Niets leek mij meer te interesseren en ik had het gevoel dat niemand mij begreep, dat is waarschijnlijk ook één van de redenen geweest waarom ik nergens met collega’s of mijn partner over gepraat heb. In gesprekken met anderen kon ik mijn gedachte niet bij het gesprek houden en ik keek regelmatig een hele avond TV zonder te weten waarover het gaat of wat ik gekeken heb.
Ik vervreemde steeds meer van mijn omgeving en heb ook met steeds minder mensen contact. Omdat ik bang was dat mij dingen gevraagd werden en omdat ik bang dat collega’s, vrienden en familie “verkeerde” opmerkingen maakten, sloot ik mij steeds meer af van de buitenwereld. De enige die ik toeliet was mijn partner.

Langzaam maar zeker begon ik steeds meer last te krijgen van verschillende klachten en vroeg aan mijn planner of het niet mogelijk was om mij een paar dagen vrij te plannen zodat ik eens even ‘op adem kon komen’. Ik vertelde hem ook dat ik heel slecht sliep en dat ik het idee had de controle over mijzelf steeds meer kwijt te raken. Het kwam regelmatig voor dat ik thuis of op mijn werk -zowel tegen collega's als publiek- uit mijn slof schoot.

De paar dagen rust die ik zou krijgen, bleken heel anders te lopen omdat mijn oom, de enige broer van mijn moeder, in de terminale levensfase kwam, nadat bij hem een jaar eerder kanker geconstateerd werd. Doordat ik mij inmiddels emotioneel zo afgesloten had, kwam dat nieuws voor mij als een verassing en omdat ik toch wel leuke herinneringen aan hem had en omdat mijn moeder het vroeg, ging ik hem op zijn sterfbed bezoeken. Helaas was hij inmiddels niet meer aanspreekbaar en ik schrok ervan hoe hij erbij lag. Omdat mijn moeder het verlies van mijn vader nog niet verwerkt heeft, heb ik aangeboden om bij mijn oom te blijven, zodat mijn moeder naar huis kon om even wat op adem te komen. Zij leefde in die tijd eigenlijk al een paar dagen in het ziekenhuis, maar op een of andere manier is dat niet tot mij doorgedrongen, ondanks dat ze er regelmatig met mij over praatte.
De verpleegkundigen adviseerden mij toen om laat op de avond maar naar huis te gaan omdat ‘het nog wel even kon duren’. Tegen beter weten in, nam ik dat advies maar al te graag aan en ging naar huis. Kort nadat ik thuis was en in bed gekropen was, ging de telefoon dat mijn oom overleden was. Omdat wij toch niets meer voor hem konden betekenen, besloot ik daarop mijn moeder niet in kennis te stellen en maakte met de verpleegkundige de afspraak om vroeg in de ochtend naar et ziekenhuis te komen. Toen ik die ochtend tegen 6.30 uur bij mijn moeder aanbelde om haar op de hoogte te brengen van het overlijden van haar jongere broer, zag. Op de automatische piloot ben ik met mijn moeder naar het ziekenhuis gegaan en heb de noodzakelijke dingen geregeld, daarna was het over en uit.

Ik had het gevoel dat ik helemaal instortte en wist dat het goed mis was met mij. Ik belde mijn huisarts, maakt een afspraak voor het spreekuur en daarna mijn werkgever om te zeggen dat ik niet kon komen werken.
Toen ik naar de huisarts ging en haar vertelde dat ik weer enorme last had van rugklachten, een heel kort lontje had en vergeetachtig was, dat ik het gevoel had dat ik emotioneel in een flat-line zat en dat ik mijn gedachten nergens meer bij kon houden. Ook vertelde ik over mijn slaapprobleem, dat ik wel goed kon inslapen maar na 3 tot 4 uur wakker te werd en daarna niet meer kon slapen. Als ik geluk had sliep ik 4 tot 5 uur, terwijl ik gewend was zeker 8 tot 9 uur te slapen. Terwijl ik dat vertelde dacht ik bij mijzelf dat ik misschien wel een burn-out zou hebben en dat ik binnen een paar weken, hooguit een paar maanden wel weer op de rails zou zijn.
Zij verwees mij hierna door naar de psychologe, die ook enkele dagen zitting neemt in de praktijk van de huisarts. Toen ik daar kwam, had ik niet het gevoel dat ik bij die psychologe, mijn hele ziel en zaligheid op tafel kon leggen. Ik zag aan haar dat, toen ik mijn ervaringen begon te vertellen, zij moeite had om haar ontbijt binnen te houden. Hoewel ik pas halverwege was met het benoemen van mijn ervaringen en klachten, opperde zij om mij door te verwijzen naar een private rugkliniek. Daar zou ik een gesprek met een tweetal psychologen krijgen en onderzocht worden door een fysiotherapeut, waarna er voor mij een behandelprogramma gestart zou worden.

In die tijd dronk ik ook steeds meer alcohol in de (verkeerde) veronderstelling dat ik hiervan beter zou slapen. Hoewel ik tijdens de carnaval en sommige feestjes echt geen glaasje oversloeg, dronk ik sporadisch en was ik in 99 van de 100 gevallen de BOB, als ik samen met mijn partner ergens naartoe ging waar gedronken werd.
Na een paar dagen kreeg ik bericht van die kliniek dat men mij op een intake verwachtte. Ik kreeg een gesprek met een psychologe en werd daarna geconsulteerd door een fysiotherapeut, die mij onderzocht. Hij was van mening dat een goede training mijn rugklachten wel zouden kunnen doen afnemen.
Bij het gesprek met de tweede psychologe ontstond er meteen een klik. Hoewel ze zeker 15 jaar jonger was dan ik, had ik bij haar wel het gevoel dat ik open en eerlijk kon zijn. Ik verbaasde mijzelf hoe eerlijk ik was in mijn antwoorden en dat ik geen enkel sociaal wenselijk antwoord gaf, hetgeen ik nogal vaak geneigd was om te doen. Ook aan haar zag ik dat ze schrok van sommige zaken die ik vertelde maar ik merkte wel dat ze aandacht aan mij schonk, mij het gevoel gaf dat ze luisterde en moeite deed om mij te begrijpen. Ze vroeg mij enkele vragenlijsten in te vullen en begon meer door te vragen op antwoorden die ik gaf in het daarop volgende gesprek.
Aan het eind van de intake en na het bestuderen van de vragenlijsten zei ze dat ze vermoedde dat er ik een Post Traumatisch Stress Syndroom had. Ik viel spreekwoordelijk bijna van mijn stoel af maar ze vertelde er ook meteen bij, dat de tijd die ze had voor mij, te kort was om die diagnose te stellen.
Ik mocht een paar dagen later terugkomen om de intake te evalueren en een eventuele verdere behandeling te bespreken waarbij ze verzocht om samen met mijn partner te komen.
Toen het “hoofd behandeling” ons ontving, voelde ik de bui al meteen hangen. De kliniek waarvan ik had gehoopt dat ze mij eindelijk eens met alle fysieke en mentale problemen zouden gaan helpen, ging mij afschepen. In het gesprek met die man klapte ik compleet dicht en kon niet mee ruit mijn woorden komen. Wat ik nog weet van dat gesprek is dat hij zei dat ze in de kliniek niet op mij ingesteld waren en dat ze niet met mij aan de slag wilden omdat ze bang waren een beerput open te trekken. Van de ene kant was ik erg teleurgesteld dat ik niet geholpen werd, maar diep in mijn hart wist ik inmiddels wel dat dit geen ‘gewone’ burn-out was. Het “hoofd behandeling” nam afscheid van ons met de mededeling dat ze wel op zoek zouden gaan naar een traumapsycholoog die mij wellicht verder kon helpen en dat ze daarvoor telefonisch contact met mij zouden opnemen.

Na dit gesprek heb ik contact opgenomen met een collega, die gediagnosticeerd was met PTSS en ik vertelde hem wat wat de psychologe mij gezegd had. Hij was de enige waarvan ik het gevoel had dat hij begreep hoe ik mij nu voelde. Hij adviseerde mij om in ieder geval een afspraak te maken met de bedrijfsarts en om via hem een doorverwijzing te krijgen naar de politie-poli van het PDC  (Psychotrauma Diagnose Centrum) in Diemen.
Ik vertelde de bedrijfsarts van mijn klachten en welke stappen ik tot nu doorlopen had. Hij stelde mij natuurlijk ook weer enkele vragen en verwees mij daarna eigenlijk meteen door naar het PDC.

Gelukkig was ik binnen twee weken aan de beurt bij het PDC voor de intake en het onderzoek. Het was een vermoeiende dag, waar gesprekken met psycholoog en psychiater en het afwerken van ellenlange vragenlijsten op het programma stonden. De uiteindelijke diagnose was “ 309.81 Posttraumatische stress-stoornis, met uitgestelde expressie (DSM 5)”.

De verwachting van de psychologe van de rugkliniek bleken dus juist te zijn. Inmiddels had ik mijzelf ook al wat meer verdiept in het fenomeen PTSS, dat ik, tot ik zelf gediagnosticeerd hiermee was, enkel kende vanuit mijn werk en uit nieuwsberichten. Zowel vanuit mijn werk als uit nieuwsberichten had ik er weinig positieve ervaringen mee.

Vanuit het PDC werd ik meteen doorverwezen naar een behandelaar in de buurt. Enkele dagen na het onderzoek bij het PDC werd ik al actief benaderd door het secretariaat van de behandelaar om een afspraak te maken voor een intakegesprek, samen met mijn partner. In eerste instantie werd ik, conform het BEPP-protocol, in 16 weken, één keer per week behandeld. Behalve dat ik het contact tussen mij en mijn behandelaar goed verliep en er ook al kleine successen geboekt werden kon ik in eerste instantie nog niets zeggen over het effect van de behandeling, waarbij gebruik gemaakt werd van de EMDR-therapie (Eye Movement Desensitization and Reprocessing). Vooralsnog had ik het gevoel dat –voor zover dat nog mogelijk was- mijn gevoelens en gemoedstoestand eerder slechter dan beter zijn werden, maar ik had ook gelezen dat dit een redelijk normale reactie was, dus ik maakte mij daar verder ook niet druk over.

Het vervolg van mijn verhaal leest u hier...

Reactie toevoegen

(If you're a human, don't change the following field)
Your first name.
(If you're a human, don't change the following field)
Your first name.
(If you're a human, don't change the following field)
Your first name.

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.