DSM-5 criteria PTSS

De DSM-V criteria voor PTSS verschillen ten opzichte van de DSM-IV criteria doordat er een tweetal duidelijke symptomen aan toegevoegd zijn. Dit betekend dat er t.o.v. de oude criteria, minder mensen gediagnosticeerd worden met PTSS. Hieronder leest u een opsomming van de criteria. 

Er moet sprake zijn van een trauma, dit houdt in:

A. Betrokkene is blootgesteld aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen en/of seksueel geweld op één (of meerdere) van de volgende manieren:

  1. Het is de persoon direct overkomen;
  2. De persoon was getuige van de gebeurtenis;
  3. Een direct familielid of vriend van de persoon is het overkomen;
  4. De persoon wordt herhaaldelijk blootgesteld aan nare details van de ingrijpende gebeurtenis(sen) (bijv. politieagenten die herhaaldelijk worden blootgesteld aan de details van kindermisbruik).

Criterium 4 is niet van toepassing op blootstelling via elektronische media, televisie, films of afbeeldingen, tenzij deze blootstelling werk gerelateerd is (dus wel bijvoorbeeld bij de politie).

Er moet sprake zijn van de onderstaande symptomen:

B. Herbeleven:

  • De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren:
  • Herhalende, zich opdringende herinneringen;
  • Onaangename dromen die gerelateerd zijn aan het trauma;
  • Handelen of voelen alsof het trauma opnieuw plaats vindt;
  • Heftige emoties als iemand eraan herinnerd wordt;
  • Lichamelijke reacties als iemand eraan herinnerd wordt.

C. Vermijden:

  • Aanhoudend vermijden van prikkels die gerelateerd zijn aan het trauma, zoals blijkt uit één (of twee) van de volgende symptomen:
  • Het vermijden van gedachten en gevoelens;
  • Het vermijden van plaatsen, mensen, voorwerpen en situaties.

D. Negatieve gedachten en stemming:

  • Negatieve veranderingen in gedachten en stemming gerelateerd aan de traumatische gebeurtenis, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende symptomen:
  • Onvermogen om delen van gebeurtenis te herinneren;
  • Negatieve gedachten over zelf, anderen en de wereld;
  • Vertekende gedachten over consequenties en oorzaak van de gebeurtenis;
  • Negatieve emoties (angst, afschuw, woede, schuld, schaamte);
  • Afgenomen interesse en participatie in activiteiten;
  • Afgesneden of vervreemd voelen van anderen;
  • Niet in staat positieve emoties te ervaren

E. Hyperactivatie:

  • Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende:
  • Geïrriteerdheid en woede-uitbarstingen;
  • Roekeloosheid en zelfdestructief gedrag;
  • Hyperalertheid;
  • Overdreven schrikreacties;
  • Concentratieproblemen;
  • Slaapproblemen

Voor alle bovenstaande symptomen geldt: deze zijn begonnen of verslechterd na de traumatische gebeurtenis.

F. De duur van de stoornis is langer dan één maand.

G. De stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige funtioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

H. De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

(Bron: AMC)