Over mij

Eind jaren zestig werd ik geboren als jongste kind uit een gezin waarvan de vader in één van de Limburgse mijnen werkte en moeder –zoals dat toen gebruikelijk was- huisvrouw was. Nadat de mijnen gesloten werden ging mijn vader, na een omzwerving, bij de overheid werken en we verhuisden naar een dorp met een paar duizend inwoners.
Ik kijk met veel plezier terug naar mijn kindertijd, waar ik veel tijd doorbracht in de bossen en velden die Limburg rijk is.

Na beëindiging van mijn middelbare schooltijd, waar ik overigens ruim de tijd voor nam, solliciteerde ik bij het toenmalige Korps Rijkspolitie. Omdat ik een man was, wiens roots sinds generaties in Nederland lagen, mocht ik voorlopig niet aan de slag omdat er destijds een actief beleid gevoerd werd om vrouwen en allochtonen met voorkeur te plaatsen. Toen er een vacature bij een gemeentepolitie van een middelgrote stad in Limburg kwam, solliciteerde ik daarop en begon in 1990 aan mijn opleiding tot agent van gemeentepolitie. Zowel het theoretisch als praktisch deel van de opleiding werden op de spreekwoordelijke sloffen doorlopen waarna ik aan de slag ging bij het korps waarvoor ik aangesteld was.
De mentor waaraan ik gekoppeld werd, die ik Peter zal noemen, was een man van “de oude stempel”. Hij was ruim twee meter lang, had handen als spaden en was een man van weinig woorden. Gelukkig klikte het vrijwel meteen met hem en de ploeg waarin ik destijds geplaatst werd. De ploeg bestond eigenlijk allemaal uit oude rotten waar ik stuk voor stuk heel veel van heb geleerd, behalve praten over emoties die het werk teweeg bracht. Daarvoor was -ondanks alle inspanningen die daaraan geleverd werden- nog geen plek. De ploeg was een gemêleerd gezelschap waar eigenlijk iedereen zijn eigen kwaliteiten had en daarvan op straat ook gebruik maakte.

Toen ik mijn huidige partner leerde kennen, die haar werk in mijn geboorte omgeving had, besloot ik de solliciteren bij een gemeentepolitie in de buurt waar ik woonde. Kort daarna maakte ik de overstap en begon mijn werk te doen in de omgeving waar ik altijd gewoond had, naar school gegaan was en waar ik dus veel mensen kende.
We kochten kort daarna ons eerste huis waar we eigenlijk dachten nog heel veel jaren te blijven wonen.

Na enkele jaren solliciteerde ik bij een andere dienst binnen de politie, waar ik ruim zeven jaar meewerkte aan de bestrijding van de zware criminaliteit. De laatste dag dat ik in de uniform-dienst werkte, raakte ik betrokken bij één van de incidenten waar ik de eerste keer echte herbelevingen van had. Ik sliep toen ook een hele tijd slecht en kreeg last van onverklaarbare angstaanvallen, kon me niet meer goed concentreren en ging bij het onderdeel waar ik werkte, levensgevaarlijke risico’s in het verkeer nemen. Ik was constant op mijn hoede en deelde met niemand mijn gevoelens.
Kort nadat ik de overstap naar die andere dienst gemaakt had, trouwde ik met mijn partner. We hadden geen enkele behoefte aan kinderen en zagen beiden geen uitdaging in het ouderschap.
Ruim anderhalf jaar nadat we getrouwd waren, werd werd mijn veiligheidsgevoel op brute wijze verstoord omdat leden van de criminele organisatie waarop ik destijds werkte, ontdekt hadden waar ik woonde. Door omstandigheden had die organisatie ook lucht gekregen van het feit dat er onderzoek naar hun. Mijn werkgever zag daar echter geen gevaar in en was niet van mening dat verhuizing voor mijn werk noodzakelijk was. Omdat de groepering zich echter bediende van extreem geweld en dit ook al tot uiting had gebracht door met explosieven openbaar bestuurders en collega's van een andere politiedienst onder druk te zetten, werd ons veilige stekkie waaraan we veel tijd en zorg besteedt hadden, in één klap tot een hel om te wonen. Dit had ook te maken met het feit dat, als ik met mijn partner ging wandelen, leden van deze groepering met hoge snelheid kort langs ons af begonnen te rijden. Niet veel later kochten we in een andere gemeente een ouder huis, waar we zeker in het begin met heel veel tegenzin woonden.
De slaapproblemen kwamen weer terug, in mijn werk was ik alleen fysiek aanwezig , had een constant gevoel van onrust en mijn lontje werd steeds korter. Hierdoor begon ik steeds slechter te functioneren en uiteindelijk resulteerde dit zelfs in een arbeidsconflict met mijn directe leidinggevende, waarop ik weer besloot terug te gaan in mijn oude functie van de uniform-dienst.

Toen ik terug kwam op mijn oude stekkie, voelde dit als een warm bad omdat er nog veel collega’s werkten die ik kende. De tijd had echter niet stil gestaan en ik merkte dat de overstap van de zware criminaliteit naar de uniform-dienst veel meer van mijn vergde dan ik gedacht had.

Al snel stapelden de incidenten, waarbij ik betrokken raakte zich op. Ik praatte daar zowel op het werk als met mijn partner niet over. Op het werk deed ik dat vooral omdat ik het gevoel had dat –ondanks alle inspanningen- de machocultuur nog steeds overheerst en thuis omdat ik mijn partner er niet mee wilde belasten maar ook omdat ik het gevoel had dat die toch niet echt zou begrijpen wat ik mee moest maken in mijn werk en wat ik daarbij voelde.

Nu, na meer dan 25 jaar voor de politie gewerkt te hebben, ben ik al enkele maanden ziek thuis. Het werk waar ik ooit met zoveel plezier aan begon en wat ik met zoveel plezier gedaan heb, heeft me uiteindelijk van binnenuit opgevreten. Over de toekomst durf en wil ik nog niet eens nadenken, ik moet het verleden eerst eens verwerken en weer in het heden mijn grip op het leven weer terug zien te vinden.