A: De persoon is blootgesteld aan een  feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding en/of seksueel geweld, zoals bij:

  • Het zelf overkomen van het trauma;
  • Persoonlijk getuige zijn geweest van het trauma, terwijl dit anderen overkwam;
  • Vernemen dat het trauma  een naast familielid of goede vriend(in) is overkomen. De gebeurtenis moet geweld of een ongeval betreffen;
  • Herhaaldelijke of extreme blootstelling aan afschuwwekkende details van het trauma (zoals bij het verzamelen van stoffelijke resten; herhaaldelijke confrontatie met kindermisbruik);

Via elektronische media is criterium 4. niet van toepassing, tenzij de blootstelling beroepsmatig is, zoals bijvoorbeeld bij politiemensen.

B: De aanwezigheid van negen (of meer) van de volgende symptomen uit elk van de vijf categorieën:
intrusies (= dwanggedachten), negatieve stemming, dissociaties, vermijding en prikkelbaarheid.

1) Herbeleven van het trauma:

  • Zich herhalende, onvrijwillige en pijnlijke herinneringen aan het trauma
  • Zich herhalende onaangename dromen waarin de inhoud en/of het affect van de droom samenhangt met het trauma
  • Dissociatieve reacties waarbij de betrokkene het gevoel heeft of handelt alsof het trauma opnieuw plaatsvindt
  • Intense of langdurige emoties bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een deel van het trauma symboliseren of erop lijken.

2) Negatieve stemming:

Negatieve veranderingen in gedachten en stemming, gerelateerd aan het trauma, zoals blijkt uit twee of meer van de volgende kenmerken:

  • Aanhoudend onvermogen om positieve gevoelens te ervaren (zoals onvermogen om geluk, voldoening of liefde te ervaren)

3) Dissociatieve symptomen

  • Een veranderd gevoel van realiteit van de omgeving of van betrokkene zelf
  • De betrokkene kan zich een belangrijk aspect van het trauma niet herinneren

4) Vermijden:

  • Pogingen tot vermijden van pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of samenhangend met, het trauma
  • Pogingen tot vermijden van externe aspecten die aan het trauma herinneren (mensen, plaatsen, gesprekken, activiteiten, voorwerpen, situaties), die pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of samenhangend met, het trauma

5) Hyperactivatie:

  • Slaapproblemen
  • Prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (met weinig of geen aanleiding), gewoonlijk tot uiting komend in verbale of fysiek agressie jegens mensen of voorwerpen.
  • Overdreven waakzaamheid
  • Concentratieproblemen
  • Overdreven schrikreacties

Voor alle bovenstaande symptomen geldt dat zij direct zijn begonnen de traumatische gebeurtenis, maar om aan de criteria van de stoornis te voldoen moeten deze drie dagen tot maximaal een maand aanhouden.

C: De verstoring veroorzaakt klinische significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen

D: De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

LET OP: De DSM IV criteria zijn verouderd en worden niet meer gebruikt voor de diagnose PTSS!

Men kon spreken van PTSS wanneer:

          De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij beide van de volgende van toepassing zijn: 

  1. Betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen; 
  2. Tot de reacties van betrokkene behoren intense angst, hulpeloosheid of afschuw. (NB: bij kinderen kan dit zich in plaats hiervan uiten in chaotisch of geagiteerd gedrag). 

    De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren: 
  1. Recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen, gedachten of waarnemingen. NB: bij jonge kinderen kan dit zich uiten in de vorm van terugkerende spelletjes waarin de thema's of aspecten van het trauma worden uitgedrukt; 
  2. Recidiverend akelig dromen over de gebeurtenis. NB: bij kinderen kunnen angstdromen zonder herkenbare inhoud voorkomen;
  3. Handelen of voelen alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt (hiertoe behoren ook het gevoel van het opnieuw te beleven, illusies, hallucinaties en dissociatieve episodes met flashback, met inbegrip van die welke voorkomen bij het ontwaken of tijdens intoxicatie). NB: bij jonge kinderen kunnen trauma-specifieke heropvoeringen voorkomen.
  4. Intens psychisch lijden bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken;
  5. Fysiologische reacties bij blootstelling aan interne of externe stimuli die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken. 

    Aanhoudend vermijden van prikkels die bij het trauma hoorden of afstomping van de algemene reactiviteit (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende:
  1. Pogingen gedachten, gevoelens of gesprekken horend bij het trauma te vermijden;
  2. Pogingen activiteiten, plaatsen of mensen die herinneringen oproepen aan het trauma te vermijden;
  3. Onvermogen zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren;
  4. Duidelijk verminderde belangstelling voor of deelneming aan belangrijke activiteiten;
  5. Gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen;
  6. Beperkt spectrum van gevoelens (bijvoorbeeld niet in staat gevoelens van liefde te hebben);
  7. Gevoel een beperkte toekomst te hebben (bijvoorbeeld verwacht geen carrière te zullen maken, geen huwelijk, geen kinderen of geen normale levensverwachting).

    Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende:
  1. Moeite met inslapen of doorslapen;
  2. Prikkelbaarheid of woede-uitbarstingen;
  3. Moeite met concentratie;
  4. Overmatige waakzaamheid;
  5. Overdreven schrikreacties.
  • Duur van de stoornis (symptomen B, C en D) langer dan één maand.
  • De stoornis veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Concentratiestoornissen

  • Als u last hebt van concentratiestoornissen lijkt het alsof u zich nergens langer dan een paar seconden op kan concentreren. U bent snel afgeleid door wat er om U heen gebeurt maar u wordt ook afgeleid ook door uw eigen gedachten.
  • U kunt zomaar ineens afgedwaald zijn. Soms ziet u dan alleen nog maar akelige dingen voor u. Dingen die u herinneren aan de vreselijke gebeurtenissen die u hebt meegemaakt. Het kan ook zijn dat u ergens mee bezig bent en dan de tijd ‘kwijt’ bent. Dan zat u kennelijk met uw gedachten heel ergens anders. Dit hindert uw dagelijks leven maar ook het contact met de mensen om u heen.
  • Ook in contact met anderen bent u snel afgeleid en kunt u moeilijk reageren. U denkt bijvoorbeeld dat u iets verteld hebt, maar krijgt te horen dat dit niet het geval is. Soms laat u zelf uw gedachten dwalen omdat u niet zo goed kunt luisteren. Er gaan teveel onprettige dingen door u heen als u naar anderen luistert. Mensen verwijten u dan dat u niet genoeg interesse voor ze hebt. Dat is meestal niet het geval. U bent wel degelijk geïnteresseerd, maar u voelt uzelf heel snel overspoeld door wat er allemaal in u omgaat.

Piekeren

  • Na een schokkende gebeurtenis kunnen er veel dingen zijn waar u zich zorgen over maakt. U kunt daardoor volledig in beslag genomen worden, de gebeurtenis laat u niet los.
  • U denkt er steeds weer aan terug, ook als u dat niet wilt. Vragen blijven rondspoken. Dit gaat soms dag en nacht door.
  • Na een schokkende ervaring hebben veel mensen hier last van. Als u merkt dat u veel piekert wil dat nog niet zeggen dat het niet over kan gaan.

Somberheid

  • Ingrijpende gebeurtenissen kunnen u het gevoel geven dat de bodem onder uw bestaan weg is. De wereld die zo vertrouwd was lijkt opeens helemaal anders.
  • U kunt ingewikkelde, soms tegenstrijdige dingen gaan voelen: verontwaardiging, wrok, schuld, schaamte, hulpeloosheid en hopeloosheid. Hierdoor kunt u steeds somberder worden.  Als dit sombere gevoel lang blijft bestaan,  gaat het een nadelig effect hebben op uw bestaan. Dan krijgt de somberheid zo veel vat op u dat er sprake is van een depressie.
  • U merkt dat u helemaal geen puf meer hebt. U komt nergens aan toe. Dingen die u vroeger leuk vond, kunt u niet meer opbrengen. Alles wat u doet kost enorme inspanning. U vindt het soms ook volslagen zinloos iets te doen. Dan voelt u een soort doffe onverschilligheid. Alsof niets er meer toe doet. Alsof er een geluiddichte glazen stolp om u heen zit. U ziet wel van alles om u heen, maar u kunt er niet spontaan op reageren. U wilt ook eigenlijk niet reageren, u wilt het liefst met rust gelaten worden. Maar als u met rust gelaten wordt komen afschuwelijke beelden en gevoelens boven.

Slaapproblemen

  • Als somberheid overheerst kunt u ook veel problemen hebben met slapen. U vindt het moeilijk om naar bed te gaan.
  • U durft eigenlijk niet te gaan slapen. U bent bang dat u nachtmerries krijgt of dat u misschien niet meer wakker wordt. Of u schrikt met een klap wakker, helemaal gespitst op mogelijk onraad, gevaar. U kunt uzelf niet meer geruststellen, u kunt niet meer ontspannen. Dan ligt u het grootste deel van de nacht gespannen als een veer te wachten tot de dag begint.
  • Er kunnen ook periodes zijn dat u absoluut geen zin hebt op te staan. Het lijkt allemaal zo volledig zinloos. U hebt geen zin om weer een dag mee te maken. U voelt zichzelf ook zo verschrikkelijk moe. U sleept u maar voort. Het lijkt wel alsof of uw lichaam op geen enkele manier meer doet wat u wilt. Het liefst zou u heel lang heel diep willen slapen en verder niks. Uw omgeving probeert u te stimuleren toch iets te ondernemen. Dit maakt u eerder boos dan dat het u helpt. U voelt uzelf overvraagd, of schuldig omdat u tekort schiet. En dan voelt u zich weer zo ellendig dat u het liefst in bed blijft liggen.
  • Als somberheid overheerst kunt u ook veel problemen hebben met slapen. U vindt het moeilijk om naar bed te gaan.

Problemen met eten

  • Misschien hebt u helemaal nergens trek in. Het is alsof u niets meer proeft  of dat alles hetzelfde smaakt. U hebt misschien ook helemaal geen zin om te eten. U bent er gewoon te somber voor.
  • Of u voelt uzelf schuldig als u eet. U weet dat het onzin is, maar toch is het dan net alsof u niet voldoende ‘solidair’ bent. U mag het van uzelf eigenlijk niet aangenaam hebben.
  • Het kan ook zijn dat u juist ontzettend veel eet, u kunt moeilijk stoppen. Het is alsof er voortdurend iets in u hongert. Alsof u een leegte moet vullen. Als u eet voelt u zich veilig en getroost. En als u gegeten hebt voelt u uzelf een tijd sterk. Als u eet is dat nare, lege gevoel ook even weg. Eten geeft u het gevoel dat u leeft, veel prettiger dan die sombere gevoelens.

Angst en paniek

  • Angst voelen na een schokkende gebeurtenis is normaal. Uw knieën worden slap, uw hart bonkt, het is alsof u geen adem meer kunt krijgen, u wordt misselijk, draaierig, het zweet breekt u uit. Op zich zijn dit nog gewone angst reacties.
  • Anders is het als u angst reacties krijgt als er iets gebeurt dat maar een heel klein beetje lijkt op de schokkende gebeurtenis die u eerder meegemaakt heeft. Of als er helemaal geen begrijpelijke samenhang is. Zomaar, ineens breekt het zweet u uit, u krijgt hartkloppingen, de wereld tolt om u heen, u hebt het gevoel dat u door uw benen zakt, u maag wordt loodzwaar …
  • U schaamt uzelf dood als dit in gezelschap gebeurt. Het maakt u vreselijk onzeker. U hebt het niet onder controle. Het kan voor uw gevoel zomaar toeslaan en het is een vreselijk ellendig gevoel. Het is ook niet uit te leggen aan de mensen om u heen.
  • Misschien denk u eerst dat het een lichamelijke oorzaak heeft. Dat er iets in uw lijf niet in orde is. Misschien heb u de huisarts al vaker om een onderzoek gevraagd. Maar de huisarts kan niets vinden. Na verloop van tijd gaat u situaties vermijden waarin deze reacties mogelijk op kunnen treden. Omdat u niet weet waardoor u zo’n paniekreactie krijgt, kunt u eigenlijk nergens meer naar toe. U trekt uzelf steeds meer terug. U bent zo bang dat de paniekreactie ineens toeslaat. Als u er alleen al aan denkt raakt u al in paniek.
  • Uw dagelijks leven wordt toenemend bepaald door uw angst een paniekreactie te krijgen. U doet dingen niet meer die u vroeger leuk vond om te doen. U raakt het contact kwijt met de mensen om u heen. U bent de controle over uw leven kwijt en hebt steeds minder plezier in uw leven. Hulpverleners noemen zo’n overmaat aan angst een angststoornis.

Lichamelijke klachten

  • Uw lijf reageert natuurlijk ook. U hebt misschien op allerlei plaatsen pijn, al uw spieren zijn gespannen, u hebt hartkloppingen.
  • U bent dood- en doodmoe en hebt geen energie voor dingen die u vroeger wel deed. Soms verdwijnen deze klachten niet. U maakt u zorgen, want het lijkt alsof uw klachten alleen maar toenemen.
  • Uit onderzoek blijkt dat mensen die ernstige schokkende gebeurtenissen hebben meegemaakt gedurende langere tijd last kunnen hebben van lichamelijke klachten. Moe zijn, hoofdpijn, spierpijn, lage rugpijn en misselijkheid komen veel voor.
  • Bij uitgebreid medisch onderzoek kunnen artsen in veel gevallen geen lichamelijke oorzaak voor deze klachten vinden. Wel wordt vaak een verband gelegd met de moeilijke situatie die iemand achter de rug heeft. Artsen spreken in dit verband over lichamelijk onverklaarde klachten.
  • Deze onverklaarde klachten kunnen forse beperkingen met zich meebrengen. U bent bijvoorbeeld niet in staat uw dagelijkse bezigheden of werk weer op te pakken. Of u hebt geen energie om met andere mensen om te gaan. Zelfs niet met vrienden of familie. Dit alles leidt ook vaak tot onbegrip, bij vrienden, bij uw partner, uw gezin of bij anderen in uw omgeving.

Verlies en rouw

  • Het kan zijn dat u dierbaren verloren hebt of zelf ernstig letsel opgelopen hebt. Of u hebt alles achter moeten laten wat u dierbaar was. Verlies en rouw kunnen na het meemaken van ernstige schokkende of traumatische gebeurtenissen een belangrijke rol spelen.
  • Mensen verschillen in de manier waarop ze rouwen. De reacties kunnen dus sterk uiteenlopen. Ook binnen een gezin kan op heel verschillende manieren gerouwd worden. Kinderen rouwen ook, al uiten zij zich vaak anders dan volwassenen. Als het gezin deze verschillen kan aanvaarden, lukt het beter om elkaar bij te staan. Mensen kunnen elkaar op veel verschillende manieren helpen en troost bieden.
  • Het verlies kan ook ernstige schuldgevoelens oproepen, zo zeer zelfs dat u veel aan de dood moet denken en u geen plezier meer kan hebben aan de dingen van alledag. Aan ernstig verlies en langdurige rouw dient altijd aandacht besteed te worden in de behandeling.

De DSM-V criteria voor PTSS verschillen ten opzichte van de DSM-IV criteria doordat er een tweetal duidelijke symptomen aan toegevoegd zijn. Dit betekent dat er t.o.v. de oude criteria, minder mensen gediagnosticeerd worden met PTSS. Hieronder leest u een opsomming van de criteria. 

Er moet sprake zijn van een trauma, dit houdt in:

  • Betrokkene is blootgesteld aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen en/of seksueel geweld op één (of meerdere) van de volgende manieren:
  1. Het is de persoon direct overkomen;
  2. De persoon was getuige van de gebeurtenis;
  3. Een direct familielid of vriend van de persoon is het overkomen;
  4. De persoon wordt herhaaldelijk blootgesteld aan nare details van de ingrijpende gebeurtenis(sen) (bijv. politieagenten die herhaaldelijk worden blootgesteld aan de details van kindermisbruik).

Criterium 4 is niet van toepassing op blootstelling via elektronische media, televisie, films of afbeeldingen, tenzij deze blootstelling werk gerelateerd is (dus wel bijvoorbeeld bij de politie).

Er moet sprake zijn van de onderstaande symptomen:

1: Herbeleven:

  • De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren:
  • Herhalende, zich opdringende herinneringen;
  • Onaangename dromen die gerelateerd zijn aan het trauma;
  • Handelen of voelen alsof het trauma opnieuw plaats vindt;
  • Heftige emoties als iemand eraan herinnerd wordt;
  • Lichamelijke reacties als iemand eraan herinnerd wordt.

2: Vermijden:

  • Aanhoudend vermijden van prikkels die gerelateerd zijn aan het trauma, zoals blijkt uit één (of twee) van de volgende symptomen:
  • Het vermijden van gedachten en gevoelens;
  • Het vermijden van plaatsen, mensen, voorwerpen en situaties.

3: Negatieve gedachten en stemming:

  • Negatieve veranderingen in gedachten en stemming gerelateerd aan de traumatische gebeurtenis, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende symptomen:
  • Onvermogen om delen van gebeurtenis te herinneren;
  • Negatieve gedachten over zelf, anderen en de wereld;
  • Vertekende gedachten over consequenties en oorzaak van de gebeurtenis;
  • Negatieve emoties (angst, afschuw, woede, schuld, schaamte);
  • Afgenomen interesse en participatie in activiteiten;
  • Afgesneden of vervreemd voelen van anderen;
  • Niet in staat positieve emoties te ervaren

4: Hyperactivatie:

  • Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende:
  • Geïrriteerdheid en woede-uitbarstingen;
  • Roekeloosheid en zelfdestructief gedrag;
  • Hyperalertheid;
  • Overdreven schrikreacties;
  • Concentratieproblemen;
  • Slaapproblemen

Voor alle bovenstaande symptomen geldt: deze zijn begonnen of verslechterd na de traumatische gebeurtenis.

  1. De duur van de stoornis is langer dan één maand.
  2. De stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige funtioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
  3. De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

(Bron: AMC)

Na het meemaken van ernstige schokkende gebeurtenissen is er grote kans dat er sprake is van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) Dat is de officiële naam van het ziektebeeld dat kan ontstaan na het meemaken van schokkende gebeurtenissen.

Trauma klachten

Het ziektebeeld bestaat uit allerlei psychische klachten, zoals hieronder benoemd.
Beter zou het zijn te spreken van (post-) traumaklachten, of klachten na schokkende gebeurtenissen, want als mensen psychische klachten ontwikkelen, kan dat zich uiten in een PTSS, maar minstens zo vaak gebeurt dat in de vorm van een depressie of een angststoornis.

Diagnose PTSS

De diagnose PTSS wordt gesteld als onderstaande klachten naar aanleiding van een ingrijpende gebeurtenis langer dan een maand aanhouden en deze klachten het dagelijks leven ernstig ontregelen. Voor het stellen van een diagnose PTSS is vereist dat volgende symptomen aanwezig zijn:

  • Herbelevingen

Beelden, geluiden, geuren die je doen herinneringen aan de ingrijpende gebeurtenis; het gaat om indringende beelden, geluiden en geuren waaraan je je niet kan onttrekken; ook aanhoudende dromen en nachtmerries vallen hieronder; soms voelt het alsof je weer helemaal in de traumatische situatie terug bent; de herbelevingen gaan gepaard met nare lichamelijke sensaties.

  • Vermijding

Bij vermijding wil je niet praten over wat er gebeurd is; ook vermijd je situaties die doen denken aan de traumatische situatie; je vermijdt sociale contacten, je trekt je liever terug, wilt liever alleen-zijn; als iemand contact met je maakt, probeer je er zo snel mogelijk vanaf te komen; je voelt je niet alleen vervreemd van de wereld om je heen, maar ook lijkt het alsof je niet meer zo goed bij je eigen gevoelens kunt komen; in het begin lijkt deze vermijding te helpen, maar op de lange duur doet het je geen goed.

  • Spanningsklachten

Een kort lontje hebben en je voortdurend op spanning voelen staan; deze klachten uiten zich in slecht slapen, geïrriteerd zijn, je onveilig voelen, snel schrikken, en moeite hebben je gedachten ergens bij te houden.

  • Agressie

Irritaties escaleren makkelijk naar overmatige woede en agressie; dit leidt tot problemen in het dagelijks leven en in het contact met anderen.

Langer bestaande PTSS-klachten

Bij lang bestaan van PTSS-klachten bestaat vaak de neiging om met behulp van overmatig alcohol- en drugsgebruik bovenstaande klachten te onderdrukken. Ook lukt het vaak niet meer om de normale structuur in het leven te houden en kan dat tot gevolg hebben dat iemand niet meer naar behoren functioneert in de eigen vertrouwde omgeving. De relatie met familie of met partner/gezin kan er ernstig onder gaan lijden.

Depressie

Bij een depressie voelt iemand zich vrijwel de hele dag ernstig somber en de somberheid is niet voor de duur van een of enkele dagen, maar houdt lange tijd aan. Iemand voelt zich moe, heeft geen energie meer en merkt dat er duidelijk minder interesse of plezier bestaat in dingen waar men vroeger wel enthousiast voor kon worden. Vaak is er sprake van snel geïrriteerd zijn. De slaap is verstoord (nauwelijks meer slapen of juist heel veel), de eetlust is verminderd, iemand kan zich slecht concentreren en heeft een slecht gevoel over zichzelf. In het ergste geval zijn er ook steeds terugkerende gedachten over de dood.

Angststoornis

Angststoornissen kunnen zich op heel veel verschillende manieren uiten, maar centraal staat – wat de naam al zegt – een buitensporige angst. Dat kan de vorm aannemen van voortdurende paniekaanvallen met alle lichamelijke gevoelens erbij (het gevoel dat je doodgaat of gek wordt). Het kan zich ook uiten in een sterke angst om onder de mensen te komen met als gevolg dat iemand zich extreem terug kan gaan trekken en niet meer normaal kan functioneren. Tenslotte kan een angststoornis zich uiten in extreem dwangmatig gedrag, waarbij iemand voortdurend en dwangmatig aan bepaalde zaken moet denken of steeds maar weer een en dezelfde handelingen uit moet voeren.