Inmiddels is er weer bijna anderhalf jaar verstreken na het afsluiten van het, wat ik eerst dacht, laatste hoofdstuk van mijn ervaring. Toen ik dat hoofdstuk afsloot, verkeerde ik in de veronderstelling dat ik het PTSS te boven was gekomen en dat ik mijn leven weer kon oppakken… Nadat de behandelingen voor het PTSS afgesloten waren, kreeg ik de diagnose dat mijn PTSS in remissie was, maar dat verdere behandeling wel nodig was. Met die boodschap ging ik terug naar de bedrijfsarts en verzocht hem om mij door te sturen voor een behandeling die aansloot bij mijn eerdere PTSS-behandeling. Hoewel ik opperde om via het Centrum ’45 te zoeken naar vervolgbehandelingen of naar een andere zorgverlener –die gespecialiseerd was in het post PTSS behandelingen- wilde de bedrijfsarts daar -vanwege budgettaire redenen- niet toe besluiten en verwees mij door naar een bedrijf waarmee de bedrijfsarts eerder goede ervaringen had en dat zichzelf omschreef als “specialist in resultaatgerichte arbeidshulpverlening op maat bij lichte en zware psychische klachten. Gericht op organisaties neemt samen met u de regie over visie en uitvoering van arbeidsgezondheid en duurzaam werken, waarbij individueel klantgericht te werk wordt gegaan. Werkend vanuit de individuele kracht van mensen en gedreven door de passie voor mensenwerk kan uw organisatie op succesvolle wijze begeleiden, op een meer dirigerende dan aanlerende manier”.

Bij mijn eerste bezoek aan dat bedrijf was er voor mij een afspraak gemaakt bij een psycholoog, die kort naar mijn hulpvraag informeerde en mij vervolgens weer naar huis stuurde met de –inmiddels bekende- vragenlijsten. Toen ik die vragenlijsten kreeg, zakte de moed mij alweer snel in mijn schoenen, maar ik begreep ook dat het nodig was die lijsten voor de zesduizenddriehondervijfenzeventigste keer in te vullen. Een week later volgde de tweede afspraak en werd er met mij een gesprek aangegaan waar mij bij aanvang al te kennen werd gegeven dat er drie kwartier voor het gesprek ingepland was. Dat gesprek verliep al niet zo heel erg soepel en ik kreeg de indruk dat de jonge psychologe geen enkele ervaring had met het behandelen/ begeleiden van mensen met een PTSS. Tijdens het derde contactmoment met diezelfde psychologe sprak ik mijn twijfels die ik inmiddels had, uit over de gekozen behandeling en vroeg haar of zij ervaring had met behandelingen van mensen met een PTSS of een PTSS in remissie. Ze erkende dat ze daarmee geen enkele ervaring had, waarmee mijn eerdere vermoeden bevestigd werd. Op dat moment was ik het liefst meteen opgestaan en weggelopen uit de behandeling! In mijn oprechtheid zei ik ook meteen dat ik dan eigenlijk totaal geen meerwaarde zag in de ingeslagen weg, maar besloot ook om nadat ik daar met haar over gepraat had, de behandeling een kans van slagen te geven. Uiteindelijk ben ik nog vier keer in behandeling geweest. Daarna hebben we in goed overleg met elkaar, besloten de behandelingen te stoppen en in overleg met de verwijzer (de bedrijfsarts) te zoeken naar een behandeling die meer aansloot op mijn behoefte. Toen ik daarop, telefonisch contact opnam met de bedrijfsarts, vertelde hij dat de Nationale Politie eigen bedrijfsartsen in dienst ging nemen en dat het contract met de arbodienst waar hij in dienst was, over één week beëindigd zou worden.

De bedrijfsarts verwees mij daarom door naar de nieuwe bedrijfsarts in dienst van de politie. Na twee weken probeerde ik toen om via mijn leidinggevende, zoals de procedure het voorschrijft, een afspraak te maken bij de nieuwe bedrijfsarts. Het bleef echter angstvallig stil van de kant van de bedrijfsarts… Enkele weken en verschillende pogingen later, bleek dat de nieuwe bedrijfsarts langdurig ziek te zijn en dat het maken van een afspraak niet mogelijk bleek. Inmiddels was ik –zoals overeengekomen met de oude bedrijfsarts- gestart met een re-integratie bij de afdeling Real Time Intelligence Center (RTIC).
Het werk dat ik daar deed, sloot goed aan bij de kennis en vaardigheden die ik bezit op het gebied van geautomatiseerde systemen. De collega’s ontvingen mij met open armen en gaven mij het gevoel dat ik meer dan welkom was bij de afdeling. Men toonde begrip en interesse in mij, als mens maar zeker ook voor de klachten die ik nog steeds bleek te hebben. De arbeidsuren bouwde ik langzaam maar zeker steeds verder op en het werk dat ik deed, voelde als echt politiewerk en ik had het er heel erg naar mijn zin. Ik merkte echter ook dat het werk psychisch belastend was en dat ik het soms ook nog mee naar huis nam. In eerste instantie schonk ik daar niet teveel aandacht aan en deelde mijn ervaringen en gevoelens daarbij ook.
De werkplek (het RTIC is ondergebracht in de integrale meldkamer van politie, brandweer en ambulancedienst) bleek echter steeds meer problemen te leveren en ik merkte dat ik steeds meer last kreeg van herbelevingen van verschillende traumatische incidenten. Dat had een dermate grote invloed op mij en mijn werk, dat ik moest stoppen met de werkzaamheden om te voorkomen dat mijn klachten, die inmiddels alweer behoorlijk aanwezig waren, zouden verergeren. Nadat ik weer volledig arbeidsongeschikt was, bleek dat het UWV (bij wie ik inmiddels ivm verlopen van het tweede ziektejaar een aanvraag voor de WIA had gedaan) mijn aanvraag voor de WIA niet in behandeling nam, omdat naar oordeel van het UWV, door de werkgever, te weinig was gedaan aan re-integratie. Het UWV legde derhalve een loonsanctie op aan de werkgever. Of dat mede de oorzaak was van het feit dat het toen opeens wel mogelijk bleek een (vervangende) bedrijfsarts te consulteren weet ik niet, maar na een paar maanden kon ik terecht bij de bedrijfsarts. Ik vertelde daar wat mijn klachten waren, maar dat ik toch gewoon weer aan het werk wilde. Naar zijn oordeel was ik echter 80 tot 100% arbeidsongeschikt en daarmee moest ik het maar doen.
Dit was voor mij een enorme klap, maar onder mijn motto “opgeven is geen optie” probeerde ik het enkele weken later nog eens. Helaas was de bedrijfsarts nog steeds dezelfde, vervangende bedrijfsarts en hij bleef bij zijn oordeel dat ik 80 tot 100% arbeidsongeschikt was. Ik herhaalde nogmaals dat ik graag wilde werken, maar naar zijn oordeel was er een groot verschil tussen willen en kunnen. Mijn klachten (herbelevingen, kort lontje, vermoeidheid, vermijden van gesprekken of situaties die mij aan traumatische gebeurtenissen herinnerden) namen steeds verder toe, maar ik merkte ook dat er een bepaalde gelatenheid was, waardoor de negatieve stemming gelukkig niet de overhand nam. Om niet teveel aan bloot te staan aan triggers keek ik al geen nieuws meer, heb ik bepaalde series die ik vroeger volgde, in de ban gedaan en heb ik mijn social media, op Twitter na, helemaal in de ban gedaan.
Via mijn persoonlijk PTSS begeleider van de eenheid en met behulp van de vakbond ANPV waarvan ik lid ben, lukte het uiteindelijk om een telefonisch consult te krijgen bij een andere bedrijfsarts van de eenheid. Nadat die mijn klachten en verhaal aangehoord had, werd ik weer doorverwezen naar het Psychotrauma Diagnose Centrum (PDC) te Diemen, om te diagnosticeren wat er nu aan de hand is. Ik merkte ook dat ik heel emotioneel begon te reageren op zaken. De aanblik van een doodgereden eekhoorn met jong, brachten heftige emotionele reacties teweeg en tijdens mijn vakantie in de bergen werd ik geconfronteerd met het feit dat er aan herbelevingen eigenlijk niet te ontkomen valt. Dat waren voor mij –behalve een heel rotte ervaringen- ook een eyeopener. Na mijn vakantie ging ik weer naar Diemen en werd daar weer aan een uitgebreide diagnose onderworpen.

Gesprekken met psychologen, beantwoorden van vragen en een gesprek met een psychiater, brachten uiteindelijk de diagnose Partiële PTSS. Vooral het feit dat ik niet geplaagd werd door negatieve stemmingen (depressiviteit) maakten dat de diagnose partiële PTSS is. Natuurlijk ben ik blij dat de diagnose niet alweer een volledig PTSS is, maar het lijkt er toch steeds meer op dat PTSS niet volledig lijkt te genezen, hoewel er deskundigen zijn die het tegendeel verkondigen (op Twitter). Inmiddels ben ik door het PDC weer terugverwezen naar mijn eerdere behandelaar: een man die mij het gevoel geeft dat hij begrijpt en vooral een deskundigheid op het gebied van PTSS.
Mijn werkgever heeft mij voorlopig, in het kader van mijn re-integratietraject, aan de planning van het basisteam toegevoegd. Het is zeker geen werk dat ik mijzelf mijn hele leven zie verrichten, maar het gevoel om weer aan het werk te zijn, maakt voor mij veel goed. Ervaringen uit het verleden doen mij beseffen dat het niet goed is om het hoofdstuk af te sluiten, maar voor nu, wil ik het er even bij laten...

Hoewel de Nationale Politie zegt het PTSS serieus te nemen en de Minister hiervoor ook een circulaire heeft opgesteld, lopen zaken in de praktijk toch vaak anders dan zou moeten. Ondanks dat er bij mij, net als bij vele andere collega's geen enkele andere oorzaak is die het ontstaan van een Post traumatische Stress Stoornis zouden kunnen verklaren, is het noodzakelijk dat je daarvoor een aparte aanvraag doet bij Adviescommissie PTSS Politie. Deze commissie gaat volgens een vooraf vastgesteld protocol te werk en beoordeelt -op basis van dit protocol- de aanvragen erkenning beroepsziekten.

Één van de vereisten, om een aanvraag erkenning beroepsziekten in gang te zetten, is het invullen van een "incidentenformulier" die het PTSS hebben veroorzaakt. In dit formulier dien je alle incidenten, die volgens jezelf en de deskundigen die je gediagnosticeerd hebben met PTSS, deze incidenten zo nauwkeurig mogelijk te omschrijven. Daarbij wordt er ook van de aanvrager verwacht dat niet alleen het incident beschreven wordt, maar ook de emoties die dat incident teweeg brachten. 

Omdat de erkenning door de werkgever naar mijn mening een belangrijke onderdeel vormt van het genezings- en verwerkingsproces heb ik dit formulier naar eigen vermogen ingevuld. Het invullen van het formulier bracht zoveel emoties naar boven dat ik hiervoor meer dan een week nodig heb gehad. Door het PTSS zijn veel, in mijn ogen, wezenlijke details uit mijn geheugen verdwenen en de emoties die het invullen teweeg brachten, maakte het bijzonder moeilijk om de juiste benamingen te vinden voor de emoties die ik op dat moment ondervond.

Nadat de aanvraag op de juiste manier ingediend wordt, zal de onafhankelijke commissie die erover oordeelt, zo mogelijk binnen een termijn van ongeveer twee maanden, hierover oordelen. Wanneer men het niet eens is met het oordeel kan men hiertegen beroep instellen.

In mijn geval had ik na twee-en-een-halve maand nog geen bericht gehad en nam ik contact op met mijn case-manager PTSS, die iedere medewerker wordt toebedeeld. Nadat deze contact had opgenomen met het secretariaat van de commissie bleek dat mijn aanvraag nog niet in behandeling genomen was, omdat deze "onvindbaar" was. Met de aanvraag die mij zoveel moeite had gekost om aan het scherm toe te vertrouwen ging men zo om? Ik was blij dat ik, tijdens het telefoongesprek, waarin mij dit werd medegedeeld ergens alleen op een parkeerplaats stond. Ik was woedend, maar tegelijkertijd ook hevig teleurgesteld, zeker toen ik hoorde dat ik niet het enige geval was. Mijn case-manager had nog andere aanvragen verstuurd die eveneens niet in behandeling genomen waren, omdat de aanvragen "onvindbaar" waren.

Enkele dagen daarna nam mijn case-manager weer contact met mij op en vroeg mij of ik het screenings- of diagnose-rapport van wel verstuurd had want bij de Adviescommissie PTSS Politie zou men niks ontvangen hebben en daarom was mijn aanvraag nog niet in behandeling genomen. Vanwege mijn enorme vergeetachtigheid leg ik alles vast en bewaar ik alle e-mails die betrekking hebben op mijn PTSS, maar ondanks dat, wist ik ook zeker dat ik die documenten verstuurd had. Bij controle bleek inderdaad dat ik die betreffende documenten, bijna drie maanden geleden al verstuurd had naar het meldpunt.

Na ongeveer drie maanden bleek uiteindelijk dat het email adres van het arts-meldpunt gewijzigd was, waardoor mijn eerste aanvraag nooit in behandeling genomen werd. Wie er nu verantwoordelijk was voor het niet doorgeven van deze wijziging, laat ik in het midden, omdat de energie die dit kost mij te dierbaar is. Feit bleef dat ik, na bijna 8 maanden, nog steeds geen uitsluitsel had over de erkenning beroepsziekte.

Ondanks dat het duidelijk en begrijpelijk is dat de erkenning beroepsziekte een proces is dat zorgvuldig genomen dient te worden, is de huidige procedure in mijn ogen te confronterend voor mensen die met PTSS kampen.

Na lang wachten kreeg ik uiteindelijk, eind mei 2016, een brief van de Adviescommissie PTSS Politie, waarin de commissie een positief advies uitbrengt om het PTSS als beroepsziekte te erkennen. Het advies is tot stand gekomen op grond van de volgende incidenten:

  • Dodelijke aanrijding (2014)
  • Reanimatie (2009)
  • Achtervolging met dodelijke afloop (2004)
  • Dodelijke aanrijding (1996)

Een tweetal andere incidenten werden door de adviescommissie niet meegenomen in dit advies. De uiteindelijke erkenning beroepsziekte, als omschreven in Artikel 1 lid 1 sub y van het BARP, berust nok de Korpschef, maar -zo is mij verzekerd- zal deze altijd het advies volgen van de adviescommissie.

Halverwege juni 2016 volgde het verlossende woord van mijn werkgever: deze erkent dat mijn PTSS als een beroepsziekte aangemerkt wordt. voor mij is er een pak van mijn hart, niet alleen vanwege de rechtspositionele gevolgen die eraan zitten, maar veel meer nog dat ik hiermee eindelijk mijn erkenning heb gekregen.

Na 16 behandelingen zaten mijn eerste behandelingen erop. Zowel mijn behandelaar als ik waren van mening dat de behandelingen onvoldoende effect gesorteerd hadden, waarna ik weer terug verwezen werd naar het Psychotrauma Diagnose Centrum in Diemen. Ik werd telefonisch benaderd voor een afspraak waarna ik weer geconsulteerd werd door dezelfde psycholoog die mij de eerste keer -voor het diagnostisch onderzoek- geconsulteerd had. Omdat het voor mijn behandelaar niet duidelijk was of er sprake was van een klinische depressie of depressieve klachten ten gevolge van het PTSS, werd ik uitgebreid geconsulteerd door de psychiater, die in ieder geval diagnosticeerde dat er in mijn geval geen sprake is van een klinische depressie. Voor wat het waard is, want de klachten die ik heb wijken niet of nauwelijks af van een klinische depressie.
Dat was het goede nieuws van die dag, want de vrees van mijn behandelaar en mijzelf bleek waarheid: ondanks de  behandelingen volgens het BEPP-protocol, bleek ik nog in behoorlijke mate last te hebben van het PTSS. De psychiater, welke verbonden is aan het PDC, adviseerde net zoals tijdens het eerste bezoek, met medicatie te starten om de depressieve gevoelens te onderdrukken. Enerzijds zou dit kunnen helpen om mijn slaapprobleem de baas te worden en anderzijds zou het verminderen van de depressieve gevoelens tot gevolg kunnen hebben dat de nog te volgen behandelingen tot een beter resultaat zouden kunnen komen. Hoewel ik deze medicatie, vooral vanwege het feit dat ik mij hierdoor de eerste weken slechter ga voelen, liever niet slik volgde ik het advies -tegen mijn zin in- toch maar op. Het feit dat ik me eerst slechter zou gaan voelen, waren niet de enige bezwaren die ik tegen een SSRI had, maar vooral ook het feit dat ze niet alleen de dalen afvlakken in de stemming, maar ook de pieken. Verder zijn er nogal wat bijwerkingen van deze middelen waar ik niet op zit te wachten. 

Hoe nu verder?
Door mijn klachten ben ik net in staat mijn dagelijks leven in redelijke banen te leiden, laat staan productieve arbeid te leveren. Mijn leidinggevenden en collega's begrijpen nog steeds weinig tot helemaal niets van de klachten die PTSS met zich meebrengt. Nog steeds zijn er er collega's die zeggen dat "we allemaal wel in meer of mindere mate PTSS hebben" en geven tips onder het mom van "toen ik een burn-out had". Het kost me teveel moeite om hier telkens tegen in te gaan en ik heb ook de indruk dat het helemaal niks helpt. Tot het moment dat ik zelf gediagnosticeerd werd met een PTSS had ik ook mijn eigen beeld, dat achteraf gezien, ook helemaal niet strookte met de werkelijkheid. Het toppunt was wel een collega die zei dat er op internet precies te lezen valt, wat je moet zeggen om gediagnosticeerd te worden met PTSS, daarmee suggererende dat... Het feit dat dit een collega is die niet bekend staat om zijn sociale vaardigheden, heeft mij geholpen om die uitspraak te relativeren, maar op het moment dat hij dat zei, kon ik hem wel bij zijn strot grijpen.
Hoewel er enkele mensen uit mijn omgeving die -met de beste bedoelingen- mij probeerden aan te sporen tot sociale activiteiten kon ik de energie daarvoor niet opbrengen. Ik merkte dat ik absoluut niet meer tegen drukte kon, veel mensen bij elkaar of gewoon teveel geluid zorgden ervoor dat ik onrustig werd en in paniek dreigde te raken. Dat werd op sommige momenten zo erg dat ik er zelfs agressief van kon worden en ik wilde dan alleen maar zo snel mogelijk weg uit die situatie. Zo werd een etentje met vrienden op een bepaald moment tot een kwelling en bij een goede vriend, verliet ik zijn verjaardag na nog geen twintig minuten binnen te zijn geweest. Noodzakelijke boodschappen deed ik zoveel mogelijk op momenten dat het niet druk was in de winkels.

De herinneringen aan de traumatische gebeurtenissen bleven met grote regelmaat de kop op steken en het kostte mij de grootste moeite om ze dan van mij af te zetten. Mijn lichaam reageerde op die momenten wisselend: de ene keer had ik het gevoel alsof iemand in mijn maag kneep, de andere keer begon ik te hyperventileren of leek mijn hart op hol te slaan. De nachten waarbij ik eigenlijk tot rust zou moeten kunnen komen werden wreed verstoord door dromen die deels te maken hebben met de traumatische gebeurtenissen maar soms werd ik ook wakker met een enorme hartslag. Als ik eenmaal wakker was probeerde ik natuurlijk weer slaap te vatten, maar bij alle geluiden die ik hoorde leek het wel of mijn lichaam in opperste staat van paraatheid kwam. Met grote regelmaat stond ik, wanneer ik buiten iemand door de straat hoorde lopen of wanneer ik een auto hoorde stoppen in de buurt van mijn woning, aan het raam om te kijken wie het was en wat diegene deed. Midden in de nacht zat ik in de woonkamer met een vleesmes op tafel om mijzelf te verdedigen tegen een eventuele indringer...
Ik zocht afleiding in mijn hobby's die ik heb, maar eigenlijk deed ik dat nog meer om mijn herinneringen en gevoelens te onderdrukken. Mijn grootste hobby was urbex-fotografie en het -hoe kan het ook anders- maken van webpagina's. Bij het maken van de foto's werd ik ook nog steeds enorm beperkt door mijn rugklachten die ook nog steeds in grote mate in mijn functioneren hinderden. Wandelingen langer dan ongeveer een kwartier werden een kwelling omdat mijn onderrug dan helemaal leek te verkrampen. Dit maakte wandelingen door de natuur, die zo goed schijnen te zijn, eigenlijk onmogelijk. Op de momenten dat ik het probeerde, werd ik ook meteen weer geconfronteerd met mijn fysieke disfunctioneren. De 'geneeskrachtige werking' van de wandeling wer op zo'n moment meteen tenietgedaan door de gevoelens van onvermogen dat ik nog niet eens meer een stukje kon wandelen. Met regelmaat bekroop mij dan het onaangename gevoel dat ik niks meer kon hebben en zowel fysiek als psychisch voelde ik mij dan een wrak.

Na enkele weken merkte ik echter dat -waarschijnlijk ten gevolge van de SSRI- mijn stemming begon te verbeteren en startte weer met de behandelingen bij mijn psycholoog. Ditmaal bleken de EMDR-behandelingen wel aan te slaan waardoor ik eindelijk weer licht aan het einde van de tunnel begon te zien. Ten gevolge van de depressie, die het gevolg was van het PTSS, kwam ik de deur nauwelijks meer uit. Ik wilde niemand zien en had geen behoefte aan visite, hoewel er ook niemand -vooral van mijn collega's- de interesse toonden of op visite wilde komen. In de hele periode dat ik ziek was, inmiddels al bijna 10 maanden, zijn er drie collega's geweest die de moeite genomen hebben om mij eens te komen bezoeken. Het toont voor mij duidelijk aan hoe hecht de familie is op het moment dat je zoiets overkomt. 

Door de effectieve EMDR-behandeling en de vasthoudendheid van mijn psycholoog begin ik langzaam maar zeker steeds meer grip op mijn leven terug te krijgen. Ik merk dat de herbeleving steeds minder heftig worden en dat de de herinneringen -die helaas niet uitgewist kunnen worden- mij niet meer uit mijn normale ritme van de dag halen. Bij tijd en wijlen komen steken ze nog wel eens de kop op, maar ik zie ze dan meer als belevingen die mij gevormd hebben tot de persoon die ik nu ben. Ik kan het niet beschrijven, maar het feit dat herinneringen je zo bezig hielden en ze je helemaal uit je dagritme haalden (ondanks dat ze al heel lang geleden plaats hebben gevonden) waren achteraf gezien, misschien wel de belangrijkste signalen dat er meer aan de hand was met mij dan alleen stress.

Fysiek ben ik nog steeds niet de oude, maar ik werk inmiddels aan mijn eigen herstel. De zogenaamde professionele behandelaars voor rugklachten hebben het uiteindelijk allemaal laten afweten omdat ze verstrikt zitten in vastgestelde protocollen waar PTSS niet in past. Ten gevolge mijn depressie was ik meer dan 30 kilo in gewicht toegenomen doordat ik de hele dag ongezond at en niet bewoog. De leegte die ik voelde in mijzelf, probeerde ik met eten te compenseren en in de illusie dat alcohol mij beter liet slapen en mijn herinneringen weg kon duwen, dronk ik gemiddeld 3 flessen kasteelbier (11% vol. alc.) per avond.
Geholpen door de positieve EMDR en de SSRI, besefte ik dat het roer om moest, wilde ik mijzelf niet helemaal de vernieling in helpen. Ik stelde mijzelf tot doel om binnen 20 weken, zeker 40 kilo af te vallen. Hiervoor ging ik van een ongezond leefpatroon naar gezonde voeding, waarin geen vlees, vet of toegevoegde suikers passen. Ondanks de medicatie (die normaal gesproken zorgt voor gewichtstoename naast een verminderd libido) begon ik gewicht te verliezen en merkte ik dat ik mij ook veel energieker ging voelen. Ik merkte dat wandelingen weer mogelijk werden, zonder te moeten stoppen vanwege de rugpijn, waardoor ik weer wat positieve energie begon te krijgen. Na een paar weken liep ik dagelijks een ronde van 8- 10 km in een behoorlijk tempo van meer 6 km/u. In de sportschool heb ik nu een persoonlijk programma laten opstellen dat in het begin vooral bedoeld is om mijn rugspieren en mijn core te verstevigen want ik begin zelfs weer te denken aan hardlopen. Hoe realistisch het doel is, moet ik nog even afwachten, maar binnen enkele maanden wil ik eigenlijk weer in staat zijn om 10 km te kunnen hardlopen.

Mentaal ben ik nog steeds niet de oude, maar ik begin er ook steeds meer van overtuigd te raken dat dit ook niet meer gaat gebeuren. Ik merk steeds meer dat ik tegen zaken in het leven anders begin aan te kijken en merk ook dat mijn tolerantiegrens lager is komen te liggen. Wat dit voor mijn invloed zal hebben op mijn leven zal ik moeten ondervinden, maar feit is dat het anders is dan voordat het PTSS had. Door deze veranderde inzichten en houding, weet ik zeker dat ik weer aan het werk wil gaan, of dit terugkeer in mijn oude functie betekend, kan ik nu nog niet zeggen omdat de behandelingen nog niet afgesloten zijn en ik daarmee niet kan zeggen wat het uiteindelijke resultaat is van de behandelingen.
Gelukkig merk ik wel dat een aantal van mijn sterke eigenschappen, waaronder de empathie voor mensen, weer terugkomen.
Mijn leven is in ieder geval blijvend veranderd door het PTSS, maar het gevoel van "What didn't kill you, makes you wish it did" begint langzaam maar zeker te veranderen in "What didn't kill you, makes you stronger".

Ik ben ervan overtuigd dat de medicatie (Citalopram) die ik nu nog slik, zeker een positieve invloed heeft gehad op mijn herstel. Ik voel me daardoor beter en de afvlakking van de stemmingspieken, blijven gelukkig beperkt voor mijn gevoel. De negatieve bijwerkingen die ik tot nu ondervind van de medicatie zijn vooral van seksuele aard (minder zin in sex) en hebben betrekking op mijn visus (waziger zien). Mijn doelstelling is daarom ook nog steeds om zo snel mogelijk, wanneer arts en psychiater dit verantwoord vinden, te stoppen met deze medicatie.

Nadat het Psychotrauma Diagnose Centrum in Diemen in samenspraak met het Centrum '45 en de bedrijfsarts besloten hadden het behandelprotocol te verlengen, ging ik terug voor een aantal vooraf vastgesteld aantal behandelingen bij mijn behandelaar. Door het goede contact maar vooral ook doordat de behandelaar mij altijd het gevoel gegeven heeft dat hij de organisatie waarvoor ik werk goed kent, had dit ook mijn voorkeur. De EMDR-behandelingen die volgden boden, waarschijnlijk door het gebruik van de juiste medicatie, toen een veel beter resultaat als de eerdere sessies.

De behandelingen werkten goed en ik merkte bij mijzelf ook een duidelijk afname van de PTSS gerelateerde klachten. Naarmate de klachten afnamen, kwamen er echter ook andere zaken, aangaande mijn persoonlijkheid en de manier waarop ik in het leven sta, bij mij naar boven. Volgens mijn behandelaar is dit een proces dat bij meer mensen die een PTSS hebben, voorkomt en verklaarde dit aan de hand van de volgende beeldspraak: De trauma's werken als een deken en bedekken ook andere zaken die er spelen, wanneer die dekens weggenomen worden, komen onderliggende zaken vrij te liggen.

Bij het afsluiten van de behandeling tegen PTSS is het gebruikelijk dat er een afsluiting volgt, voor mij was dat het laten zetten van een tatoeage in de vorm van een leeuw. De leeuw is voor mij het symbool van kracht: kracht die nodig was om te praten over zaken waarover ik nooit gepraat heb, kracht die nodig was om deze ziekte enigszins te boven te komen en verder te kunnen met mijn leven. Deze leeuw prijkt nu voor altijd op mijn linker bovenarm, dicht bij mijn hart en niet voor iedereen zichtbaar, omdat dit iets is dat voor mij is en ik niet hoef uit te dragen.

Naarmate de behandelingen steeds meer soelaas begonnen te bieden, merkte ik ook dat mijn rugklachten langzaam maar zeker minder werden. Door de depressie en het overmatige alcoholgebruik in combinatie met te weinig beweging en het niet buiten de deur willen en kunnen komen, was ik fysiek een pannenkoek geworden. Ik was in ruim 8 maanden tijd ongeveer 30 kilo zwaarder geworden en herkende mijzelf niet meer terug als ik in de spiegel keek. Hardlopen dat ik altijd graag had gedaan om af te schakelen en om mij fysiek beter te voelen was niet meer mogelijk en ik besefte dat het roer echt om moest. Nadat ik duidelijk had gekregen wat er schortte aan mijn leefwijze, ging ik deze drastisch veranderen en ik merkte al snel dat dit effect had. Ik wilde zeker 40 kilo afvallen en stelde mijzelf tot doel om -in ieder geval voor het einde van het jaar- weer regelmatig 10 km hard te lopen.
Doordat ik alle toegevoegde suikers, zoveel mogelijk vetten en dierlijke eiwitten schrapte uit mijn dieet, stopte met het eten van vlees en vooral te leven van onbewerkte voeding, begon ik mijzelf veel fitter te voelen en gingen de kilo's die er zo snel aangekomen waren er nog sneller vanaf. ik voelde mij fysiek energiek en nam een abonnement bij de plaatselijke sportschool, waar ik begon met een verantwoord trainingsprogramma. De fout die ik eerder gemaakt had: mijn lichaam te weinig rust gunnen, moet ik niet meer maken.
Er zijn tijden geweest dat ik van de 7 dagen, 6 dagen hardlopen deed. Ik begon maandag met 10 km, liep er dinsdag 12, woensdag 14, donderdag 16, vrijdag 18 en de zaterdag sloot ik de week steevast af met een halve marathon. Sporten was een vlucht uit de werkelijkheid geworden en op die manier kon ik overleven, maar pleegde ook roofbouw op mijn lichaam. Mensen die verstand van zaken hebben, waarschuwden daar al voor, maar ik dacht dat ik dat wel aankon net zoals ik alles dacht aan te kunnen...
Inmiddels ben ik de eerste 40 kg bijna kwijt, ik heb nog een kilootje of 4  te gaan voor de eerste 40 kg, maar heb mijn doelstelling inmiddels alweer bijgesteld naar het verliezen van 45 kg aan gewicht. Inmiddels loop ik minimaal drie keer per week een afstand tussen de 5 en 10 km en de 10 km heb ik ook al een aantal keren gelopen. Hoewel ongeveer 54 minuten op de 10 km voor mij nog geen toptijd is, heb ik mijn doelstelling wel al weten te halen en ook nog een half jaar eerder dan ik eerder als doelstelling gesteld had. Het geeft mij een goed gevoel om weer op de loopband te staan en om weer door het bos te lopen. Ik ben ervan overtuigd dat dit voor mij heilzaam werkt en in combinatie met het gezonde leefpatroon draagt dit bij aan mijn fysieke herstel.

Tijdens de uren die ik inmiddels aan het werk ben, merk ik dat een aantal klachten nog steeds duidelijk aanwezig zijn. Het is nog steeds heel erg moeilijk om mij op zaken te concentreren, ik ben nog steeds heel erg vergeetachtig en het lijkt wel of het "korte lontje" nog steeds even kort is en waardoor ik, na een beperkt aantal uren aan het werk te zijn geweest, totaal uitgeput ben. Volgens mijn behandelaar en de deskundigen bij het PDC in Diemen, zijn dat zaken die nog minder kunnen worden, maar het kan ook zijn dat deze klachten van blijvende aard zijn. Het is in ieder geval in mijn geval nodig om nog een vervolgtraject te ondergaan. Hoe dit eruit gaat zien en welke resultaten daarmee behaald gaan worden zijn op het moment van schrijven nog niet duidelijk, maar wat wel al zeker is, is dat ik op dit moment nog lang niet de oude ben. De vraag die ik mij ook stel is of ik ooit nog eens de oude kan en wil worden. 
Fysiek sta ik inmiddels in ieder geval weer volledig op de rails en is dit geen belemmering meer om ooit nog eens terug te keren in mijn oude functie. Nadat professionele zorgaanbieders mij gevoelsmatig in de kou hebben laten staan op het fysieke vlak, heb ik zelf de koe bij de horens gepakt. In eerste instantie heb ik dat natuurlijk helemaal voor mijzelf gedaan, voor mijn lichaam en vooral ook voor mijn mentale gesteldheid. Het is echter ook een knipoog naar die zogenaamde professionele instellingen die geen ruimte bieden aan mensen met een PTSS, omdat ze buiten de standaard behandelprotocollen vallen. Ik ben ervan overtuigd dat ik niet de enige ben die een PTSS heeft en een fysieke re-integratie nodig heeft, maar daarvoor biedt geen -bij mij bekende- zorgverlener een goed pakket.

Ik merk dat ik mij vooral vasthoudt aan het fysieke herstel, want dit is het enige dat ik in de hand heb. Mentaal ben ik nog steeds niet de oude en ik merk dat er meer in mij veranderd is dan op het eerste gezicht leek. Mijn mentale weerbaarheid is ronduit slecht te noemen, niet alleen omdat ik nog steeds een kort lontje heb, maar ook omdat ik niet meer lijk om te kunnen gaan met ellende. Wanneer ik zaken op TV zie, of ik geconfronteerd wordt met persoonlijke ellende van anderen, raakt mij dat veel meer dan vroeger, maar ook veel meer dan ik eigenlijk zou willen. Dan is er nog de vermoeidheid aan het einde van een dag, maar ook gewoon tussendoor. Het lijkt wel of mijn lichaam de slaap, die ik lange tijd gemist heb, in wil halen. Een gewone dag, zonder aan het werk geweest te zijn, is al zo vermoeiend dat ik 's avonds om 21 uur op de bank in slaap val, terwijl ik 's morgens mijn bed vaak niet uitkom.

Nadat het PDC constateerde dat mijn PTSS in remissie was en ik daarmee niet meer voldeed aan de diagnose PTSS, was het voor het PDC en de daarbij aangesloten behandelaars eigenlijk klaar en nam ik zelf het initiatief om een afspraak met de bedrijfsarts te maken. Verder heb ik ruim voor het verstrijken van het eerste jaar ziek zijn, bij mijn directe leidinggevende meermaals aangedrongen op een eerste-jaars-evaluatie, die de Wet Poortwachter voorschrijft, maar helaas is die na bijna 15 maanden nog steeds niet geweest.

Na het consult bij de bedrijfsarts werd mij duidelijk dat de vergeetachtigheid en de chaos die er soms in mijn hoofd lijkt te spelen, het noodzakelijk maakt dat ik mij beter voorbereid op de gesprekken en dat ik meer zaken op moet schrijven, want in de gesprekken vergeet, is soms gewoon zaken die er spelen te benoemen. Mijn bedrijfsarts is van mening dat ik het aantal uren dat ik aan het werk langzaam meer zeker moet gaan uitbreiden. Hoe dit moet gaan en welke werkzaamheden ik dan moet gaan vervullen is voor mij op dit moment nog een groot raadsel, omdat mijn concentratieproblemen en vergeetachtigheid mij nog steeds in behoorlijke mate belemmeren in mijn dagelijks functioneren.

Doordat ik de overtuiging heb dat ik als persoon ook moet veranderen en ik handvatten moet krijgen om mijzelf te veranderen, werd ik door de bedrijfsarts doorverwezen naar een nieuwe behandelaar. Het intakegesprek heb ik daar inmiddels gehad en ook daar verschenen weer de enorme vragenlijsten over klachten die ik ervaar en over mijn persoonlijkheid. Alweer een momentopname, antwoord geven op vragen die ik al zo vaak heb ingevuld, maar ook weer antwoorden die geen realistisch beeld schetsen. Ik was net drie dagen terug van een vakantie in de bergen. Een vakantie waar ik twee weken lang alleen maar gewandeld heb, waar ik in mijn hoofd alleen bezig was met de bergen te beklimmen en waarbij ik zoveel van mijn lichaam vergde dat er voor andere zaken geen tijd was. Na het invullen van die vragenlijsten bekroop mij ook meteen het gevoel, hoe en wat een psycholoog nu met zo'n lijst en uitkomst verder gaat.

Tijdens het gesprek met de behandelaar werd mij gevraagd wat ik nu verwacht van de behandelingen en hoe die eruit moeten gaan zien. Eigenlijk wil ik maar twee dingen: weer de oude worden en weer een perspectief te hebben voor de toekomst. Rationeel ben ik er echter ook steeds meer van overtuigd aan het raken dat "die oude ik" mede ertoe heeft bijgedragen dat ik een PTSS ontwikkeld heb, mede omdat ik nog steeds niet kan praten over mijzelf en over de trauma's. Op het moment dat mij gevraagd wordt naar de trauma's, merk ik dat het nog steeds heel veel moeite kost om hierover te praten. Ik voel mijn hartslag weer omhoog gaan en ik merk dat ik weer heel erg gespannen raak. Nog steeds kan ik niet of nauwelijks praten over de gevoelens die ik had en heb bij die trauma's, maar ook over mijn eigen gevoelens. Hoewel ik dan niet meer aan de diagnose PTSS voldoe, is er toch iets in mij blijvend veranderd en in dat opzicht is de PTSS dus zeker (nog) niet genezen. Is dat wat mensen bedoelen met PTSS is niet te genezen?
Ik verwijs ook steeds vaker naar deze website als ik in gesprek ben met anderen over mijn ziekte. Niet alleen vanwege het feit dat ik vaak vergeet de helft te vertellen, maar ook omdat dit een goed beeld geeft van wat er de afgelopen 15 maanden gebeurd is. Dat is inmiddels zo'n lang verhaal geworden dat het niet in een notendop is samen te vatten.

Vooralsnog sluit ik dit hoofdstuk af, op de website zal ik in de toekomst verder gaan met een blog, over zaken die mij bezig houden en dingen waarmee ik in de toekomst nog te maken ga krijgen. Ik doe dit niet alleen voor mijzelf, maar ook voor de vele lotgenoten die ik heb, die allemaal met dezelfde zaken te maken hebben of gaan krijgen. Een van de hoofdredenen om ooit voor de politie als werkgever te kiezen was en is nog steeds de hulpverlening aan 'hen die deze behoeven'. Gelukkig ben ik dat stukje van mijzelf nog niet kwijtgeraakt.

Op internet zijn genoeg “Sugar-coated” versies te vinden over wat een PTSS zou moeten zijn. Nou, ik ben er eigenlijk nog niet één tegen gekomen die de juiste lading dekt. In deze rubriek zal ik proberen uit te leggen welke incidenten –in het kort- voor het grootste deel hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van mijn PTSS.
Maar, en dat wellicht het belangrijkste is: ik zal proberen hier te omschrijven hoe de klachten zich bij mij ontwikkelden, wat die uiteindelijk met mij deden en wat ik doe om mijn leven weer op de rails te krijgen.

Zoals ik ook al schreef in de rubriek “Over mij” werd ik in de herfst van 1996 naar een provinciale weg gestuurd, waar een aanrijding plaats had gevonden. Het bleek een eenzijdige aanrijding te zijn, waarbij een auto tegen een dikke boom gebotst was, in het talud van een weg. Bij de aanrijding waren twee zeer jonge kinderen betrokken. Één van de kinderen overleed ter plaatse aan de verwondingen en het andere kind raakte zeer ernstig gewond. Bij dat laatste kind heb ik een hele tijd de brandweer en ambulancedienst geassisteerd bij het bevrijden uit het wrak. Die tijd stond ik met een infuuszakje in mijn handen en keek daarbij tegen de hersenen van dat kind aan. Bij de aanrijding was er een open breuk aan de schedel ontstaan waarbij een stuk schedel weg of verschoven was. Nadat het kind bevrijd was, werd het onder onze begeleiding, door de ambulance, naar het ziekenhuis vervoerd. Kort na dit incident was de dienst afgelopen, leverde ik mijn spullen in en verliet het korps waar ik aan aantal jaren met plezier gewerkt had.

Toen ik op mijn nieuwe werkplek aan de slag ging, merkte ik dat ik last kreeg van slapeloosheid, concentratieproblemen, plotselinge transpiratieaanvallen en vooral het telkens weer dat plaatje zien van die gat in de schedel. Ondanks dat laatste dacht ik eigenlijk meer dat de klachten die ik had ‘gewoon’ stressklachten waren die te maken hadden met mijn nieuwe werk en dat het terugzien van dat beeld bij de verwerking hoorde. Inmiddels denk ik beter te weten maar ik weet niet meer of de klachten destijds geleidelijk afnamen of dat ik mij, ondanks deze klachten, toch staande wist te houden.
Aan het einde van het vorige millennium werd mijn woonadres –door een fout van collega’s en daarop volgende blunders van leidinggevenden bekend bij een criminele organisatie, waarnaar het unit waar ik destijds voor werkte, onderzoek naar deed. Deze criminele organisatie bediende zich indertijd van zwaar geweld, onder andere ook tegen openbare bestuurders. De chef van de dienst waarvoor ik destijds werkte, vond het, waarschijnlijk doordat er kosten voor de dienst aan verbonden zaten, niet noodzakelijk dat ik ging verhuizen. Het intimiderende gedrag, dat onder andere bestond uit stapvoets langs mijn woning rijden of stoppen als ik in de voortuin of op de oprit aan het werk was, werd steeds erger. Als mijn partner en ik een blokje om liepen in de wijk, kwam het regelmatig voor dat leden van die organisatie met hoge snelheid op mij af kwamen rijden, echter altijd op zodanige manier dat je niet kon spreken van een strafbaar feit, behalve verkeersgevaarlijk gedrag. Omdat ik wist waartoe die mensen in staat waren, voelde ik mij niet meer veilig in het huisje dat ik net een paar jaar eerder gekocht had. Waar ik samen met mijn partner veel tijd, geld en liefde in gestoken had, om het tot ons plekje te maken.
De klachten van concentratieproblemen, vergeetachtigheid, niet kunnen doorslapen en risicovol gedrag (vooral in het verkeer) kwamen terug. Door de ervaring die ik inmiddels had opgedaan in mijn werk wist ik mij echter nog lange tijd staande te houden. Inmiddels was het ook zo ver dat ik dacht dat dergelijke verschijnselen en klachten erbij hoorden en praatte ik met niemand over.
Ik was mijn huis al kwijt en wilde niet ook nog mijn baan verliezen. Uiteindelijk leidden de concentratieproblemen, mijn vergeetachtigheid, het risicovol verkeersgedrag en andere klachten toch tot een arbeidsconflict met mijn toenmalige leidinggevende. Hierop nam ik impulsief de beslissing om terug te keren in “het blauw” in het team waar ik zeven jaar eerder weggegaan was. Toen ik destijds bij de huisarts vertelde welke klachten ik had, adviseerde hij me om het een tijdje rustig aan te doen en ik werd door de chef van mijn nieuwe werkplek, voor een aantal weken toegevoegd aan een onderzoek, waar ik ook weer een beetje kon wennen aan het ‘normale’ politiewerk.

Nadat ik het uniform weer aangetrokken had, merkte ik dat ik veel moeite had om te wennen aan de veranderde maatschappij. De zeven jaar dat ik van de straat was geweest, leken heel kort, maar de wereld zag er anders uit. De maatschappij was behoorlijk verhard- en de tegenstellingen groter geworden na 9/11. Ik merkte dat ik kort door de bocht was en dat ik een erg kort lontje had, waardoor verschillende klachten tegen mij gedaan werden en ik regelmatig voor de klachtencommissie van ons korps, moest verschijnen.
Ik kwam weer in aanraking met het ongecensureerde politiewerk, dood en verderf waren weer dagelijkse kost aan het worden en bij tijd en wijlen kwam die kapotte kinderschedel weer in mijn hoofd voorbij. De spanning die ik destijds voelde, kwam daarbij ook weer opzetten en ik moest moeite doen om mijn gedachten in het hier en nu toe houden. Er leek veel veranderd op de werkvloer want bij mijn terugkeer in het blauw bleek er een Bedrijfs Opvang Team te zijn, dat bij ernstige incidenten ingeschakeld kon worden om je hart te luchten. Dit bestond echter uit mensen van de werkvloer, waar je de volgende dag weer mee op de auto zat of mee moest werken. Bij mij riep dat, zoals bij meerdere collega's, ook direct weerstand op, omdat dit voor mij geen vertrouwde omgeving vormde, want het was niet gebruikelijk om over je gevoelens te praten met collega’s en al zeker niet bij het onderdeel waar ik eerder bij gewerkt had. Behalve dat er van professionele opvang en preventie geen sprake was, waren symptomen van een mogelijk PTSS niet eens bekend bij mij.

Behalve de 'dagelijkse zaken' waarmee je als politiemens in aanraking komt, zoals verkeersongevallen, zelfdoding en agressie, waren er een aantal incidenten waarmee ik ongewild steeds meer en langer mee geconfronteerd werd:

  • Een achtervolging die eindigde met dodelijke afloop, waarbij ik mij verwijten bleef maken waarom ik de auto niet eerder geramd had, zodat dit niet op een dergelijk vreselijke manier geëindigd was;
  • Een aanhouding met verzet van een buurtbewoner die mij daarna op indringende wijze bedreigde. Omdat ik al eens op brute wijze moest verhuizen door mijn werk, maakte dit heel veel indruk op mij en kon ik dit niet loslaten;
  • Een reanimatie waar ik machteloos was, omdat ik het slachtoffer niet uit de positie kreeg waarin dit lag en waardoor ik mij medeschuldig voelde aan het overlijden;
  • Een bedreiging tegen het leven toen ik alleen, onder diensttijd alleen op pad was. Er was geen mogelijkheid om te vluchten of om hulp in te roepen van collega's;
  • Een dodelijke aanrijding waarbij het slachtoffer iemand was die ik kende, ten tijde van het schrijven twee jaar geleden.

Na dat laatste incident leek er iets kapot te zijn gegaan in mij en ik begon me steeds meer af te sluiten voor de buitenwereld. Het voelde alsof ik emotioneel dood was, niets maakte mij nog verdrietig of gelukkig. Situaties die ik tot dat moment altijd de baas kon, werden een kwelling voor me. Onder verschillende omstandigheden en onverwachte momenten begon ik soms zo sterkt beginnen te bibberen dat ik niet meer in staat was om te schrijven of mijn handtekening te plaatsen zonder dat het een kriebel werd. Ook merkte ik dat ik die die tijd steeds meer pijn in mijn onderrug begon te ontwikkelen. Daardoor was ik steeds minder in staat om hard te lopen. Van de kleine 100 km die ik iedere week hardlopend aflegde, bleven er steeds minder over. Door mijn rugklachten voelde ik mij uiteindelijk genoodzaakt om helemaal te stoppen met hardlopen.
Via mijn huisarts werd ik hierna doorverwezen naar een academisch ziekenhuis, waar ik door vrijwel iedere specialisme onderzocht werd. Er werden röntgenfoto’s-, een MRI en zelfs een bot-scan gemaakt en uiteindelijk kwam ik bij de pijnpoli terecht. De professor die me daar consulteerde, zei letterlijk dat ik in geringe mate last had van “facetartrose” maar dat hij mijn enorme pijnklachten (ik kon toen geen 100 meter meer lopen van de pijn) niet kon verklaren aan de hand van de artrose. Een eventuele pijnbestrijding bestond er ook niet voor deze vorm van artrose, behalve op experimentele basis. De arts adviseerde om die behandeling niet te doen en verwees mij door naar een revalidatiearts. Ook die revalidatie-arts bleek weinig of niets voor mij te kunnen betekenen en ‘parkeerde’ mij uiteindelijk bij een lokale fysiotherapeut, die mij weer redelijk op de been hielp. Ik kon in ieder geval weer redelijk lopen, maar hardlopen zat er niet meer in.
In die tijd ging de gezondheidstoestand van mijn vader ook snel achteruit. Het overlijden van mijn vader was voor mijn gevoel iets wat er gewoon bij hoorde in het leven. Destijds dacht ik dat het feit dat ik er geen traan om heb kunnen laten, te wijten was aan de zware pijnmedicatie die ik toen slikte voor mijn rugpijn. Inmiddels weet ik beter...

Door de fysiotherapie namen de rugklachten ook weer af en kon ik, volgens mijzelf en de bedrijfsarts, weer gewoon aan het werk gaan. De dagdagelijks dingen van het politiewerk dienden zich weer aan en ik merkte dat ik steeds meer veranderde.
Door mijn collega’s werd ik soms gekscherend Dr. Phil genoemd vanwege de tijd die ik kon besteden aan mensen met psychische of psychiatrische problemen.

Ik merkte bij mezelf dat ik steeds minder begrip en geduld had voor mensen en hun problemen. Emotioneel wist mij steeds minder te raken en kon ik ook van steeds minder dingen genieten. Zelfs vakanties met mijn partner, waar ik altijd naartoe leefde en een intens gevoel van geluk bij mij teweeg konden brengen, brachten geen echt gevoel van geluk meer.

Toen ik dit een oproeping kreeg om als opsporingsambtenaar te getuigen voor de rechtbank werd ik voor het eerst geconfronteerd met een toestand van mijzelf, waarin ik me nooit eerder bevonden had. Door de advocaat van de verdachte werd mij –min of meer- verweten dat ik de dienstauto als geweldsmiddel gebruikt had om een achtervolging te stoppen. Ik kon mijn aandacht nauwelijks bij de rechtszitting houden en was in mijn hoofd meer bezig met de achtervolging die dodelijk eindigde dan met de achtervolging waar de rechtszitting over diende. Het kostte mij veel moeite om weer in het hier en nu te komen. Ik was overtuigd van het feit dat ik goed gehandeld had door deze achtervolging te beëindigen door het dienstvoertuig in te zetten als geweldsmiddel. Het schuldgevoel van een eerdere achtervolging, die de achtervolgde met de dood had moeten bekopen, speelde waarschijnlijk ook mee op het moment dat ik bewust die aanrijding veroorzaakte. Deze keer zou het niet gebeuren dat de bestuurder, of erger nog onschuldige weggebruikers, dit met de dood zouden bekopen. Tijdens de rechtszitting leek ik steeds meer in een emotionele shock te komen, de beelden van de achtervolging die dodelijk eindigden gingen door mijn hoofd en ik begon weer hevig te transpireren en te rillen. Toen aan het einde van de zitting het hele proces-verbaal van terechtzitting werd voorgelezen heb ik daarvan nauwelijks nog iets mee gekregen en het koste mij de grootste moeite om mijn verklaring te ondertekenen, omdat ik nog steeds beefde als een rietje.
Nu ik dit hele verhaal aan het scherm toevertrouw, begrijp ik nog steeds niet dat ik destijds dacht dat dit gewone stressklachten waren die gewoon bij het politiewerk horen. 

Een paar weken later werd ik door mijn leidinggevende benaderd met de vraag of ik de 'weerbaarheidstraining' al gevolgd had. Tot dat moment had ik er alles aan gedaan om onder die training uit te komen, maar ik moest er toch aan geloven. Voordat ik moest gaan heb ik het hele bureau bij elkaar gefoeterd, omdat ik het onzin vond om een politieman met meer dan 25 dienstjaren en “alles al meegemaakt had” nog eens naar een weerbaarheidstraining te sturen. De training werd een openbaring voor me: veel klachten die daar besproken werden en het gevolg waren van langdurig onder hevige spanningen te staan, bleek ik al te hebben. Toen ik de trainer vertelde, dat ik mij eigenlijk emotioneel dood voelde, adviseerde hij om professionele hulp te zoeken.
Op mijn werk begon ik steeds meer moeite te krijgen om de klachten die ik had, verborgen te houden. Ik begon steeds meer steken te laten vallen, doordat ik bijvoorbeeld vergat om essentiële zaken bij een dossier te voegen of afspraken die er liggen, niet na te komen.
Kort na de weerbaarheidstraining verscheen een PTSS-special van het maandblad van de vakbond ANPV. De verhalen die daar, door lotgenoten verteld werden, leverden voor mij een openbaring op en ik zei nog met een lach tegen mijn partner: als ik die verhalen hier lees, heb ik ook PTSS...

In die tijd had ik wel eens het gevoel dat zich de ziekte van Alzheimer bij mij aan het ontwikkelen was, want ik leek niets meer te onthouden en kon me nergens meer op concentreren. Collega’s konden mij het ene moment iets vertellen en voordat ze de kamer uitliepen was ik alweer vergeten wat ze mij verteld hadden. Niets leek mij meer te interesseren en ik had het gevoel dat niemand mij begreep, dat is waarschijnlijk ook één van de redenen geweest waarom ik nergens met collega’s of mijn partner over gepraat heb. In gesprekken met anderen kon ik mijn gedachte niet bij het gesprek houden en ik keek regelmatig een hele avond TV zonder te weten waarover het gaat of wat ik gekeken heb.
Ik vervreemde steeds meer van mijn omgeving en heb ook met steeds minder mensen contact. Omdat ik bang was dat mij dingen gevraagd werden en omdat ik bang dat collega’s, vrienden en familie “verkeerde” opmerkingen maakten, sloot ik mij steeds meer af van de buitenwereld. De enige die ik toeliet was mijn partner.

Langzaam maar zeker begon ik steeds meer last te krijgen van verschillende klachten en vroeg aan mijn planner of het niet mogelijk was om mij een paar dagen vrij te plannen, zodat ik eens even ‘op adem kon komen’. Ik vertelde hem ook dat ik heel slecht sliep en dat ik het idee had de controle over mijzelf steeds meer kwijt te raken. Het kwam regelmatig voor dat ik thuis of op mijn werk -zowel tegen collega's als publiek- uit mijn slof schoot.

De paar dagen rust die ik zou krijgen, bleken heel anders te lopen, omdat mijn oom, de enige broer van mijn moeder, in de terminale levensfase kwam, nadat bij hem een jaar eerder kanker geconstateerd werd. Doordat ik mij inmiddels emotioneel zo afgesloten had, kwam dat nieuws voor mij als een verrassing en omdat ik toch wel leuke herinneringen aan hem had en omdat mijn moeder het vroeg, ging ik hem op zijn sterfbed bezoeken. Helaas was hij inmiddels niet meer aanspreekbaar en ik schrok ervan hoe hij erbij lag. Omdat mijn moeder het verlies van mijn vader nog niet verwerkt heeft, heb ik aangeboden om bij mijn oom te blijven, zodat mijn moeder naar huis kon om even wat op adem te komen. Zij leefde in die tijd eigenlijk al een paar dagen in het ziekenhuis, maar op een of andere manier is dat niet tot mij doorgedrongen, ondanks dat ze er regelmatig met mij over praatte.
De verpleegkundigen adviseerden mij toen om laat op de avond, maar naar huis te gaan omdat ‘het nog wel even kon duren’. Tegen beter weten in, nam ik dat advies maar al te graag aan en ging naar huis. Kort nadat ik thuis was en in bed gekropen was, ging de telefoon dat mijn oom overleden was. Omdat wij toch niets meer voor hem konden betekenen, besloot ik daarop mijn moeder niet in kennis te stellen en maakte met de verpleegkundige de afspraak om vroeg in de ochtend naar et ziekenhuis te komen. Toen ik die ochtend tegen 6.30 uur bij mijn moeder aanbelde om haar op de hoogte te brengen van het overlijden van haar jongere broer, zag. Op de automatische piloot ben ik met mijn moeder naar het ziekenhuis gegaan en heb de noodzakelijke dingen geregeld, daarna was het over en uit.

Ik had het gevoel dat ik helemaal instortte en wist dat het goed mis was met mij. Ik belde mijn huisarts, maakt een afspraak voor het spreekuur en daarna mijn werkgever om te zeggen dat ik niet kon komen werken.
Toen ik naar de huisarts ging en haar vertelde dat ik weer enorme last had van rugklachten, een heel kort lontje had en vergeetachtig was, dat ik het gevoel had dat ik emotioneel in een flat-line zat en dat ik mijn gedachten nergens meer bij kon houden. Ook vertelde ik over mijn slaapprobleem, dat ik wel goed kon inslapen maar na 3 tot 4 uur wakker werd en daarna niet meer kon slapen. Als ik geluk had, sliep ik 4 tot 5 uur, terwijl ik gewend was zeker 8 tot 9 uur te slapen. Terwijl ik dat vertelde, dacht ik bij mijzelf dat ik misschien wel een burn-out zou hebben en dat ik binnen een paar weken, hooguit een paar maanden wel weer op de rails zou zijn.
Zij verwees mij hierna door naar de psychologe, die ook enkele dagen zitting neemt in de praktijk van de huisarts. Toen ik daar kwam, had ik niet het gevoel dat ik bij die psychologe, mijn hele ziel en zaligheid op tafel kon leggen. Ik zag aan haar dat, toen ik mijn ervaringen begon te vertellen, zij moeite had om haar ontbijt binnen te houden. Hoewel ik pas halverwege was met het benoemen van mijn ervaringen en klachten, opperde zij om mij door te verwijzen naar een private rugkliniek. Daar zou ik een gesprek met een tweetal psychologen krijgen en onderzocht worden door een fysiotherapeut, waarna er voor mij een behandelprogramma gestart zou worden.

In die tijd dronk ik ook steeds meer alcohol in de (verkeerde) veronderstelling dat ik hiervan beter zou slapen. Hoewel ik tijdens het carnaval en sommige feestjes echt geen glaasje oversloeg, dronk ik sporadisch en was ik in 99 van de 100 gevallen de BOB, als ik samen met mijn partner ergens naartoe ging waar gedronken werd.
Na een paar dagen kreeg ik bericht van die kliniek dat men mij op een intake verwachtte. Ik kreeg een gesprek met een psychologe en werd daarna geconsulteerd door een fysiotherapeut, die mij onderzocht. Hij was van mening dat een goede training mijn rugklachten wel zouden kunnen doen afnemen.
Bij het gesprek met de tweede psychologe ontstond er meteen een klik. Hoewel ze zeker 15 jaar jonger was dan ik, had ik bij haar wel het gevoel dat ik open en eerlijk kon zijn. Ik verbaasde mijzelf hoe eerlijk ik was in mijn antwoorden en dat ik geen enkel sociaal wenselijk antwoord gaf, hetgeen ik nogal vaak geneigd was om te doen. Ook aan haar zag ik dat ze schrok van sommige zaken die ik vertelde maar ik merkte wel dat ze aandacht aan mij schonk, mij het gevoel gaf dat ze luisterde en moeite deed om mij te begrijpen. Ze vroeg mij enkele vragenlijsten in te vullen en begon meer door te vragen op antwoorden die ik gaf in het daarop volgende gesprek.
Aan het eind van de intake en na het bestuderen van de vragenlijsten zei ze dat ze vermoedde dat er ik een Post Traumatisch Stress Stoornis had. Ik viel spreekwoordelijk bijna van mijn stoel af, maar ze vertelde er ook meteen bij, dat de tijd die ze had voor mij, te kort was om die diagnose te stellen.
Ik mocht een paar dagen later terugkomen om de intake te evalueren en een eventuele verdere behandeling te bespreken waarbij ze verzocht om samen met mijn partner te komen.
Toen het “hoofd behandeling” ons ontving, voelde ik de bui al meteen hangen. De kliniek waarvan ik had gehoopt dat ze mij eindelijk eens met alle fysieke en mentale problemen zouden gaan helpen, ging mij afschepen. In het gesprek met die man klapte ik compleet dicht en kon niet mee ruit mijn woorden komen. Wat ik nog weet van dat gesprek is dat hij zei dat ze in de kliniek niet op mij ingesteld waren en dat ze niet met mij aan de slag wilden, omdat ze bang waren een beerput open te trekken. Van de ene kant was ik erg teleurgesteld dat ik niet geholpen werd, maar diep in mijn hart wist ik inmiddels wel dat dit geen ‘gewone’ burn-out was. Het “hoofd behandeling” nam afscheid van ons met de mededeling dat ze wel op zoek zouden gaan naar een traumapsycholoog die mij wellicht verder kon helpen en dat ze daarvoor telefonisch contact met mij zouden opnemen.

Na dit gesprek heb ik contact opgenomen met een collega, die gediagnosticeerd was met PTSS en ik vertelde hem wat de psychologe mij gezegd had. Hij was de enige waarvan ik het gevoel had dat hij begreep hoe ik mij nu voelde. Hij adviseerde mij om in ieder geval een afspraak te maken met de bedrijfsarts en om via hem een doorverwijzing te krijgen naar de politie-poli van het PDC  (Psychotrauma Diagnose Centrum) in Diemen.
Ik vertelde de bedrijfsarts van mijn klachten en welke stappen ik tot nu doorlopen had. Hij stelde mij natuurlijk ook weer enkele vragen en verwees mij daarna eigenlijk meteen door naar het PDC.

Gelukkig was ik binnen twee weken aan de beurt bij het PDC voor de intake en het onderzoek. Het was een vermoeiende dag, waar gesprekken met psycholoog en psychiater en het afwerken van ellenlange vragenlijsten op het programma stonden. De uiteindelijke diagnose was “ 309.81 Posttraumatische stress-stoornis, met uitgestelde expressie (DSM 5)”.

De verwachting van de psychologe van de rugkliniek bleken dus juist te zijn. Inmiddels had ik mijzelf ook al wat meer verdiept in het fenomeen PTSS, dat ik, tot ik zelf gediagnosticeerd hiermee was, enkel kende vanuit mijn werk en uit nieuwsberichten. Zowel vanuit mijn werk als uit nieuwsberichten had ik er weinig positieve ervaringen mee.

Vanuit het PDC werd ik meteen doorverwezen naar een behandelaar in de buurt. Enkele dagen na het onderzoek bij het PDC werd ik al actief benaderd door het secretariaat van de behandelaar om een afspraak te maken voor een intakegesprek, samen met mijn partner. In eerste instantie werd ik, conform het BEPP-protocol, in 16 weken, één keer per week behandeld. Behalve dat ik het contact tussen mij en mijn behandelaar goed verliep en er ook al kleine successen geboekt werden kon ik in eerste instantie nog niets zeggen over het effect van de behandeling, waarbij gebruik gemaakt werd van de EMDR-therapie (Eye Movement Desensitization and Reprocessing). Vooralsnog had ik het gevoel dat –voor zover dat nog mogelijk was- mijn gevoelens en gemoedstoestand eerder slechter dan beter zijn werden, maar ik had ook gelezen dat dit een redelijk normale reactie was, dus ik maakte mij daar verder ook niet druk over.